ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2430

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
180-19-2012
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 167 SvArt. 242 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzitter beklagkamer wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J.P.F. Rijken, voorzitter van de beklagkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, omdat deze rechter eerder in drie beklagzaken van de dochter van verzoeker afwijzend had beslist. Verzoeker stelde dat hierdoor de onpartijdigheid van de voorzitter in zijn eigen beklagzaak in het geding was.

De wrakingskamer heeft het verzoek achter gesloten deuren behandeld en daarbij overwogen dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing geven voor vooringenomenheid. De enkele omstandigheid dat dezelfde voorzitter eerder afwijzend besliste in zaken van de dochter van verzoeker, en dat de onderliggende incidenten verband houden, is onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen.

Ook het ontbreken van bepaalde stukken in het dossier van verzoeker leidt niet tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, temeer daar de inhoudelijke behandeling van de beklagzaak nog moest plaatsvinden. De wrakingskamer concludeerde dat geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn en wees het wrakingsverzoek af.

De procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 15 februari 2013 door de wrakingskamer bestaande uit de genoemde rechters.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de beklagkamer is afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek
Registratienummer: 180-19-2012
Datum uitspraak: 15 februari 2013
Hoofdzaak: Beklagzaak K12/0387
BESLISSING
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in de beklagzaak met klachtnummer K12/0387 van:
VERZOEKER
hierna te noemen: “verzoeker”,
strekkende tot wraking van mr. J.P.F. Rijken, raadsheer, voorzitter van de beklagkamer van de afdeling strafrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
1. Het procesverloop
Op 18 december 2012 stond aanvankelijk de behandeling van de beklagzaak van verzoeker door de beklagkamer van dit hof gepland. De beklagkamer zou worden voorgezeten door mr. J.P.F. Rijken.
Bij brief van 13 december 2012 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend bij het hof.
Bij brief van 3 januari 2012 (verbeterd gelezen: 2013) zijn de gronden van voormeld wrakingsverzoek aangevuld.
Mr. J.P.F. Rijken heeft op 17 december 2012 schriftelijk te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust.
Naar aanleiding van het indienen van het wrakingsverzoek is de behandeling van de beklagzaak van verzoeker op voorhand aangehouden.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek achter gesloten deuren op 1 februari 2013 behandeld. Bij die gelegenheid hebben verzoeker en diens raadsman, mr. H.T.J. Janssen, advocaat te
’s-Hertogenbosch, het wrakingsverzoek nader toegelicht.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek het navolgende ten grondslag gelegd:
- De voorzitter van de beklagkamer die de beklagzaak van verzoeker gaat behandelen, is dezelfde rechter die als voorzitter van de beklagkamer in een drietal eerdere beklagzaken van de dochter van verzoeker afwijzend heeft beslist;
- In het dossier van de beklagzaak van verzoeker ontbreekt belangrijke informatie.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden twijfelt verzoeker aan de onpartijdigheid van de voorzitter van de beklagkamer, mr. J.P.F. Rijken.
3. De beoordeling
Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek sluit de wrakingskamer aan bij de artikelen 512 e.v. Sv. Ingevolge artikel 512 Sv Pro kan wraking van een rechter worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer stelt voorop dat slechts ter beoordeling van de wrakingskamer staat de vraag of feiten en omstandigheden aan de orde zijn waardoor de onpartijdigheid van een bepaalde rechter, mr. J.P.F. Rijken in dit geval, schade zou kunnen lijden.
Voorts merkt de wrakingskamer ten overvloede op dat beslissingen van de beklagkamer van het hof in zijn algemeenheid moeten worden bezien tegen de achtergrond van het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie zoals neergelegd in de artikelen 167 en 242 Sv.
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan op grond van de in het wrakingsverzoek genoemde feiten en omstandigheden, noch in de mondelinge toelichting daarop ter zitting gegeven, ieder voor zich, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, in redelijkheid worden geconcludeerd dat de voorzitter van de beklagkamer jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, dan wel dat de bij verzoeker daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan op grond van de enkele omstandigheid dat de voorzitter van de beklagkamer die de beklagzaak van verzoeker zal gaan behandelen, dezelfde rechter is die als voorzitter van de beklagkamer in een drietal eerdere beklagzaken van de dochter van verzoeker afwijzend heeft beslist, in alle redelijkheid niet worden geconcludeerd dat daaruit diens vooringenomenheid jegens verzoeker blijkt en evenmin dat de bij verzoeker daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dit wordt niet anders indien het voormelde in samenhang wordt beschouwd met de omstandigheid dat het aan de beklagzaak van verzoeker ten grondslag liggende incident, naar het zich op basis van de stukken laat aanzien, zijn oorsprong vindt in dezelfde geschiedenis als die aan de orde is in de beklagzaken van de dochter van verzoeker, in welke beklagzaken een afwijzende beslissing is gevolgd.
Voorts kan naar het oordeel van de wrakingskamer uit het (vooralsnog) ontbreken van stukken in het dossier van de beklagzaak in alle redelijkheid niet worden geconcludeerd dat daaruit de vooringenomenheid van de voorzitter van de beklagkamer jegens verzoeker blijkt, noch dat de bij verzoeker daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, temeer nu de inhoudelijke behandeling van de beklagzaak waarop die stukken betrekking hebben, nog dient plaats te vinden. Een en ander geldt mutatis mutandis voor de in de beklagzaak van de dochter van verzoeker ontbrekende informatie, voor zover verzoeker heeft gesteld dat deze voor de behandeling van zijn beklagzaak van belang is.
De conclusie op grond van het voorgaande moet zijn dat zich in de onderhavige zaak geen uitzonderlijke omstandigheid voordoet die de zwaarwichtige aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter van de beklagkamer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dit geldt naar het oordeel van de wrakingskamer ook wanneer de door verzoeker genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien.
Een en ander betekent dat het wrakingsverzoek als ongegrond moet worden afgewezen.
B E S L I S S I N G
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker en de raadsheer mr. J.P.F. Rijken.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. J.M. Brandenburg, voorzitter, mr. J. Swinkels en mr. K.J. van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Huijbers-van Tent als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2013.