ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ4767

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
20-001679-10
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 11a OpiumwetArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor deelname aan criminele organisatie met betrekking tot hennephandel

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in hennep, zoals omschreven in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet. Het hof sprak hem vrij van het witwassen van geldbedragen die in zijn woning en schuur waren aangetroffen, omdat niet bewezen kon worden dat hij handelingen had verricht die gericht waren op het verbergen van de criminele herkomst van dat geld.

De zaak betrof een periode van 1 januari 2008 tot en met 4 november 2008, waarin de verdachte een vooraanstaande rol speelde binnen de organisatie. Het bewijs bestond uit onder meer geldvondsten, administratie, en verklaringen. De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege parallelle vervolging in België, maar dit werd door het hof verworpen.

Het hof oordeelde dat de strafbare feiten in Nederland en België niet dezelfde waren en dat er voldoende afstemming tussen de autoriteiten had plaatsgevonden. De redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot strafvermindering. De opgelegde straf bedroeg 19 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Tevens werden diverse in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 19 maanden gevangenisstraf voor deelname aan een criminele organisatie, vrijgesproken van witwassen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001679-10
Uitspraak : 19 maart 2013
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 16 april 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-810767-08 en 02-806108-09, tegen
[VERDACHTE],
geboren te [geboorteplaats ([geboorteland])] op [geboortedatum] [geboortejaar],
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],
waarbij de verdachte -zo verstaat het hof- werd vrijgesproken van het bij parketnummer 02-810767-08 onder 1. ten laste gelegde (deelneming aan een criminele organisatie) en ter zake van het bij genoemd parketnummer ten laste gelegde
feit 2A:
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en
feit 2B:
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet en ter zake van het bij parketnummer 02-806108-09 ten laste gelegde witwassen,
werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht en waarbij een aantal in beslag genomen voorwerpen werd verbeurd verklaard dan wel werd onttrokken aan het verkeer, alsmede de teruggave werd gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen.
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte bij parketnummer 02-810767-08 onder 2.A, 2.B en bij parketnummer 02-806108-09 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft:
- primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard;
- subsidiair bepleit dat de verdachte van de feiten ten laste gelegd bij parketnummer 02-810767-08 onder 1. en 2.A , alsmede van het bij parketnummer 02-806108-09 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken;
- meer subsidiair bepleit dat de verdachte van het feit ten laste gelegd bij parketnummer 02-810767-08 onder 2.B dient te worden vrijgesproken voor zover het betreft de periode van 1 juli 2006 tot en met januari 2008;
- meest subsidiair -voor het geval het hof toch het openbaar ministerie in de strafvervolging zou ontvangen en tot enige bewezenverklaring zou komen- het verzoek gedaan twee getuigen te horen en bepleit dat aan de verdachte met toepassing van het bepaalde bij artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd en dat het hof bij een eventuele strafoplegging rekening zal houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan verdachte is -met inachtneming van de beperking van het hoger beroep- ten laste gelegd dat:
(parketnummer 02-810767-08:)
2.
A.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 4 november 2008 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand en/of te Castelre, gemeente Baarle-Nassau en/of elders in de gemeente Baarle-Nassau en/of te Drunen, gemeente Heusden en/of te Sprang Capelle, gemeente Waalwijk en/of te Waspik, gemeente Waalwijk en/of te Tilburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
- (het) witwassen (van opbrengsten uit de hennepteelt en/of de in- en/of uitvoer en/of verkoop van en/of handel in hennep) en/of
- het plegen van valsheid in geschrift en/of oplichting;
EN/OF
B.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 4 november 2008 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand en/of te Castelre, gemeente Baarle-Nassau en/of elders in de gemeente Baarle-Nassau en/of te Drunen, gemeente Heusden en/of te Sprang Capelle, gemeente Waalwijk en/of te Waspik, gemeente Waalwijk en/of te Tilburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of
- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of
- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep;
(parketnummer 02-806108-09:)
hij op of omstreeks 4 november 2008 te Castelre, gemeente Baarle-Nassau, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 29.980 euro) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 29.980 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep -evenals in eerste aanleg- betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard omdat het welbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft gehandeld waardoor diens recht op een eerlijk proces is geschonden.
Daartoe is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
De officier van justitie heeft gehandeld in strijd met:
1. het doel en de strekking van art. 54 SUO Pro, art. 4 lid 1 Zevende Pro Protocol EVRM, art. 14 lid Pro
7 IVBPR;
2. art. 31 EU Pro-verdrag;
3. art. 6 onder Pro c en 7 onder a van het Oprichtingsbesluit Eurojust;
4. de Eurojustrichtijnen en -adviezen;
5. het kaderbesluit 2009/948;
6. beginselen van een goede internationale rechtsorde, waaronder goede rechtsbedeling, concentratie van de vervolging en rechtszekerheid, zoals deze ook door en namens Nederland zijn verwoord en uitgelegd.
De verdediging is door het splitsen van de vervolging in twee staten buiten diens wil en toedoen in een situatie komen te verkeren, waarbij de verdachte niet kan worden verdedigd zonder dat dit nadelige consequenties heeft in de Nederlandse en/of Belgische procedure. De verdediging staat buitenspel. Er is gehandeld in strijd met bestendige Europese en Nederlandse inzichten, standpunten, richtlijnen en wetgeving, doordat het openbaar ministerie zich er nimmer voor heeft ingespannen de vervolging in één staat te concentreren. Zelfs niet, nadat de verdediging op de nadelige gevolgen voor de verdachte heeft gewezen.
Overigens zou ook zonder wetenschap van genoemde wet- en regelgeving een juiste invulling van het beginsel van een goede rechtsbedeling met zich mee moeten brengen dat de verdachte voor alle feiten in Nederland wordt vervolgd, immers:
1. Het onderzoek naar [medeverdachte 1] c.s. is opgestart in Nederland.
2. Kort na de start van het onderzoek komt [verdachte] in beeld.
3. [verdachte] is volgens de Belgische en Nederlandse autoriteiten de tweede man in de organisatie.
4. Het Belgisch parallelle onderzoek is opgestart naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek.
5. Er is sprake van één organisatie en niet van verschillende.
6. De meeste verdachten zijn in Nederland aangehouden en worden hier ook vervolgd, waaronder de hoofdverdachte H. [medeverdachte 1].
7. De bulk aan bewijs bevindt zich in Nederland, waar ook de nadruk van de opsporing ligt en heeft gelegen.
8. [verdachte] wordt al vervolgd in Nederland voor criminele organisatie met betrekking tot hetzelfde feitencomplex.
9. De feiten als vermeld in het EAB zijn van belang voor het bewijs en de bewijsconstructie in Nederland. Een eventueel tussentijds veroordelend Belgisch vonnis ten aanzien van een of meer van die feiten is bindend voor de Nederlandse rechter. Het gevaar bestaat dat de verdediging ook in dat geval zou zijn beperkt in te voeren verweren.
10. [medeverdachte 1] en vele anderen worden voor dezelfde feiten als vermeld in het EAB vervolgd in Nederland. Van hem/hen wordt geen overlevering verzocht. Van de officier van justitie begreep de verdediging dat de Belgen geen interesse hebben in [medeverdachte 1], maar [verdachte] wel graag willen hebben.
11. Er is sprake van een deal tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten, waarbij is afgesproken [verdachte] in Nederland alleen te vervolgen voor lidmaatschap criminele organisatie en in België voor betrokkenheid bij kwekerijen in België en Nederland. Hierdoor is zonder enige legitieme reden voor [verdachte] door de autoriteiten van beide landen bewust een nadeliger situatie gecreëerd. Dit terwijl er heel nauw is samengewerkt.
12. De zaken [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn zodanig aan elkaar verknocht dat het onwenselijk is dat zij voor dezelfde feiten voor verschillende instanties worden berecht en vervolgd.
13. De Belgische en Nederlandse straffen kunnen, indien [verdachte] in beide landen wordt veroordeeld cumulatief worden opgelegd. Hij verliest de bescherming van artikel 55, 56 en 57 (en 63) Sr. Bij zijn eis hoeft de advocaat-generaal geen rekening te houden met een in België opgelegde straf. De officier van justitie heeft overigens in eerste aanleg toegezegd dat wel te zullen doen.
14. [verdachte] wordt in België blootgesteld aan een hogere maximumgevangenisstraf dan in Nederland;
15. De Nederlanders en Belgen zijn op de hoogte van elkaars onderzoeken en bevindingen en hebben daarbij nauw samengewerkt. Er zijn in het kader van de aanhoudingen op 4 november 2008 gezamenlijke acties geweest. Al op 5 november 2008 wordt door de Belgische onderzoeksrechter het bevel tot aanhouding bij verstek afgegeven. In Nederland lijkt men ruim baan te willen geven aan de overlevering van [verdachte]. Op zijn vordering prijkt ‘slechts’ het deelnemen aan een criminele organisatie. De verdachte lijkt derhalve het slachtoffer van een deal tussen Nederland en België, waarbij men bewust voorbij gaat aan hetgeen thans wordt aangevoerd en de daaruit voor de verdachte voortvloeiende rechten en belangen. [verdachte] is op 4 november wel aangehouden i.v.m. verdenking van overtreding van art. 3 Opiumwet Pro.
16. Het Belgisch opsporingsdossier is integraal opgenomen in het Nederlandse dossier, waarbij toestemming is verkregen het als bewijs te gebruiken.
17. De overlevering zou tijdelijk van aard moeten zijn.
18. Dit alles kan worden voorkomen indien Nederland de strafvervolging van België overneemt, dan wel aan haar overdraagt. Niet blijkt dat deze optie überhaupt is overwogen.
19. Niet voldaan is aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Juist het omgekeerde, waartoe het Openbaar Ministerie gehouden is, gebeurt; alles moet opzij worden gezet om een dubbele vervolging in België mogelijk te maken. De voor de verdachte meest nadelige situatie wordt daardoor in strijd met de wet en het recht in het leven geroepen. Het gevolg is dat de verdachte niet inhoudelijk tegen het hem ten laste gelegde kan worden verdedigd.
Voor het geval het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou beslissen, heeft de verdediging verzocht om het horen van een tweetal getuigen, namelijk: de officier van justitie mr. K.W. van Damme en de Federale Magistraat mevrouw M. Cappele, verbonden aan het Federaal Parket te Brussel, zodat de verdediging kan vernemen op welk moment welke beslissing ten aanzien van vervolging van de verdachte is genomen, welke afweging daaraan ten grondslag lag en of er vervlechting van de Nederlandse en Belgische vervolging heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 54 van Pro de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) luidt in de Nederlandse tekst als volgt.
"Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden".
De bepaling bevat derhalve een vervolgingsbeletsel van dezelfde aard als neergelegd in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (het beginsel ‘ne bis in idem’), waarbij opgemerkt dient te worden dat art. 68 Sr Pro aan de justitiabele een ruimere bescherming geeft, aangezien art. 54 SUO Pro de aanvullende eis stelt dat een eerder opgelegde straf ook is, of wordt, ten uitvoer gelegd (dan wel volgens de nationale wet niet meer kan worden ten uitvoer gelegd).
In het kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, dat in werking is getreden op 15 december 2009, is de verplichting opgenomen voor de bevoegde autoriteiten van lidstaten om met elkaar in contact te treden teneinde overeenstemming te bereiken over een effectieve oplossing ter voorkoming van de nadelige gevolgen van parallelle procedures, hetgeen kan leiden tot de concentratie van de strafvervolgingen in één lidstaat.
De in het kaderbesluit besluit vervatte regels moeten voorkomen dat tegen dezelfde personen in verschillende lidstaten wegens dezelfde feiten parallelle strafprocedures worden gevoerd, die ertoe zouden kunnen leiden dat in deze procedures einduitspraken worden gedaan in twee of meer lidstaten. Het kaderbesluit strekt tot het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem’ dat is vastgesteld in artikel 54 SUO Pro.
Uit de inhoud van het procesdossier blijkt het volgende.
De verdachte wordt blijkens de inhoud van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak vervolgd ter zake van strafbare feiten die hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, uitsluitend in Nederland zou hebben begaan.
Blijkens de inhoud van een door de verdediging in het geding gebrachte fotokopie van een bevel tot dagvaarding van het openbaar ministerie, Federaal parket te Brussel, d.d. 20 augustus 2012, wordt de verdachte in België vervolgd ter zake van strafbare feiten die hij uitsluitend in België zou hebben begaan, al dan niet tezamen en vereniging met een vijftal bij naam genoemde personen met de Belgische nationaliteit, woonachtig in België. Deze personen komen niet als (mede)verdachten voor in het procesdossier van de onderhavige strafzaak.
Op grond van het vorenstaande staat vast dat de strafbare feiten ter zake waarvan de verdachte onderscheidenlijk in België en in Nederland wordt vervolgd, niet dezelfde feiten zijn in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht en evenmin in de zin van artikel 54 SUO Pro.
Wat er ook zij van het oordeel van de eerste rechter dat voormeld kaderbesluit in Nederland geen rechtskracht heeft en van de stelling van de verdediging dat de verdachte daaraan juist wel rechten kan ontlenen, blijkt uit het vorenstaande van een strikt gescheiden vervolging van de verdachte in Nederland en België, in die zin dat hij in Nederland is gedagvaard voor het (medeplegen van) strafbare feiten begaan in Nederland en in België voor het (medeplegen van) strafbare feiten begaan in België. Hieraan doet niet af dat het opsporingsonderzoek onder de naam ‘Felix’ zich ook deels heeft uitgestrekt tot in België gepleegde strafbare feiten nu de verdachte niet voor betrokkenheid bij deze strafbare feiten in Nederland terecht staat. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan het doel van zowel de in artikel 54 SUO Pro als de in het kaderbesluit vervatte regels, te weten: het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem’ als gevolg van internationale parallelle strafprocedures.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de Nederlandse en Belgische justitiële autoriteiten nauwkeurige afstemming heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vraag ter zake van welke strafbare feiten de verdachte in Nederland dan wel in België zou worden vervolgd. Gelet op het vorenoverwogene valt niet in te zien dat door dergelijk handelen de verdachte in zijn procedurele rechten zou zijn benadeeld.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij de verdachte vanwege vorenomschreven problematiek niet behoorlijk kan verdedigen. Het hof heeft de verdediging echter ter terechtzitting in hoger beroep nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld een inhoudelijk verweer te voeren, waarop de raadsman zelfstandig de keuze heeft gemaakt om dit niet, althans in beperkte mate, te doen, terwijl de verdachte zich (hoofdzakelijk) op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Een dergelijke proceshouding, rechtens in de wet verankerd, komt geheel voor verantwoording van de verdediging en regardeert het openbaar ministerie niet.
Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan aannemelijk is geworden dat door het openbaar ministerie zodanig is gehandeld dat sprake is geweest zodanige inbreuken op de beginselen van behoorlijk procesrecht, dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van diens zaak is tekortgedaan.
Bijgevolg wordt het verweer verworpen.
Nu ook overigens niet van feiten en omstandigheden is gebleken die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten verklaard in zijn strafvervolging, wordt het daarin ontvangen.
Gelet op het vorenoverwogene bestaat naar het oordeel van het hof geen noodzaak om de door de verdediging verzochte getuigen te horen, zodat het voorwaardelijke verzoek tot het horen van deze getuigen wordt afgewezen.
Vrijspraak
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 02-810767-08 onder 2.A ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
In het bijzonder kan uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte als deelnemer van de onderhavige criminele organisatie een aandeel heeft gehad dan wel ondersteuning heeft verleend aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bij parketnummer 02-810767-08 onder 2.A ten laste gelegde oogmerk van die organisatie, te weten: het witwassen van opbrengsten uit de hennepteelt en/of de in- en/of uitvoer en/of verkoop van en/of handel in hennep en/of het plegen van valsheid in geschrift en/of oplichting.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810767-08 onder 2.B, alsmede bij parketnummer 02-806108-09, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(parketnummer 02-810767-08:)
2.
B.
hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 november 2008 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand en/of te Castelre, gemeente Baarle-Nassau en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk
het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep.
(parketnummer 02-806108-09:)
hij op 4 november 2008 te Castelre, gemeente Baarle-Nassau, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 29.980 euro) heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
I.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij parketnummer 02-806108-09 ten laste gelegde witwassen. Daartoe heeft hij aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.
Het hof overweegt als volgt.
Op 4 november 2008 is bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres 1] Castelré een aantal geldbedragen aangetroffen tot een totaalbedrag van
€ 29.980,40.
Zoals uit de hiervoor opgenomen bewezenverklaring blijkt, heeft het hof vastgesteld dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 november 2008 deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die bezig hield met de -kort gezegd- het bedrijfs- c.q. beroepsmatig handelen in hennep.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het volgende blijkt.
Fiscale gegevens over de verdachte met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot 14 mei 2009 zijn in Nederland niet bekend.
In België heeft de verdachte over de periode 2003 tot en met 2007 een zeer beperkt inkomen gehad, namelijk totaal over die periode een totaalbedrag van € 33.305,37.
Gegevens over spaartegoeden ontbreken eveneens. Ook overigens zijn geen gegevens bekend geworden die duiden op legale inkomsten van enige serieuze omvang.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het op grond hiervan niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geld van door hemzelf in het kader van voormelde criminele organisatie begane misdrijven afkomstig moet zijn. Het is immers bekend dat in de hennephandel veel contant geld omgaat en dat daarmee grote winsten kunnen worden behaald. De in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedragen staan op geen enkele wijze in verhouding tot bovenvermelde legale inkomsten van de verdachte, mede gelet op zijn op 5 november 2008 bij de politie afgelegde verklaring dat hij leeft van zijn spaargeld en van de klussen die hij doet terwijl hij noch in Nederland, noch in België (het hof begrijpt: uit dienstbetrekking) inkomen heeft en ook geen geld heeft ontvangen via een erfenis, casino of loterij. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd bij de politie op 26 november 2008 en bij rechter-commissaris op 6 november 2008, inhoudende dat het hier om spaargeld gaat, acht het hof gelet op het vorenstaande niet aannemelijk. De verdachte heeft ook overigens geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van voormeld geldbedrag.
Op grond van dit één en ander acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voormeld geldbedrag van 29.980 euro voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat
-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.
Bijgevolg wordt het verweer verworpen.
II.
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Bij parketnummer 02-806108-09 is bewezen verklaard dat de verdachte -kort gezegd- een geldbedrag van € 29.980,00 heeft witgewassen. Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat dit geldbedrag, aangetroffen in de woning en schuur van de verdachte, afkomstig is uit door hemzelf begane misdrijven.
Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Om tot kwalificatie van dat misdrijf te kunnen komen moet er dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte een handeling heeft verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de in zijn woning aangetroffen geldbedragen. Het enkele feit dat een deel van het geld in een plastic koker in de schuur is aangetroffen (dossierpagina 107237), maakt naar het oordeel van het hof niet dat is bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zijn handelwijze genoemde integriteit niet aangetast nu hij op de ten laste gelegde datum van 4 november 2008 de geldbedragen slechts voorhanden heeft gehad en (nog) niet had gebruikt dan wel had omgezet.
Gelet op het vorenstaande kan het bij parketnummer 02-806108-09 bewezen verklaarde niet worden gekwalificeerd als witwassen, zodat het geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal derhalve te dien aanzien worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het in de zaak met parketnummer 02-810767-08 onder 2. bewezen verklaarde levert op:
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de omstandigheid dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op grote schaal en op professionele wijze bezighield met de handel in hennep, waardoor de openbare orde is aangetast;
- de omstandigheid dat de verdachte binnen deze organisatie een vooraanstaande rol heeft gespeeld en nauw heeft samengewerkt met de leider van deze organisatie, te weten: de medeverdachte [medeverdachte 1];
- het gegeven dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte betrekking heeft op de handel in softdrugs, welke handel allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt;
- de omstandigheid dat -zoals wetenschappelijk is aangetoond- frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, in het bijzonder waar het geestelijke aandoeningen betreft;
- de omstandigheid dat de verdachte kennelijk heeft gehandeld uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2012, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;
- zijn persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten 19 april 2010, en de datum waarop het hof de uitspraak doet, 19 maart 2013, een periode van bijna 3 jaar is verstreken.
Om proceseconomische redenen is de onderhavige strafzaak gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met een aantal strafzaken tegen medeverdachten. In die zaken is op verzoek van de verdediging een groot aantal getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris, waarvan de uitvoering de nodige tijd heeft gekost. Voorts heeft het hof bepaald dat alle getuigen die in de strafzaken tegen de medeverdachten zijn opgeroepen ook in de onderhavige strafzaak dienden te worden gehoord. Het hof is echter van oordeel dat niet het gehele tijdsverloop uitsluitend daardoor kan worden verklaard. Dat brengt met zich mee dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.
De raadsman heeft toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit, doch het hof acht het in verband met de ernst van het feit niet raadzaam om te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Beslag
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die door het hof worden beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen met betrekking tot welke, dan wel met behulp waarvan het bij parketnummer 02-810767-08 onder 2.B bewezen verklaarde is begaan en/of is voorbereid, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang en/of de wet.
De overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggeven aan de verdachte en na te noemen rechtspersoon, zijnde degenen die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810767-08 onder 2.A ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810767-08 onder 2.B, alsmede het bij parketnummer 02-806108-09 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bij parketnummer 02-806108-09 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte met betrekking tot dat feit van alle rechtsvervolging.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-810767-08 onder 2.B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00 STK Papier, UITDRAAI internet m.b.t. hennep in rode tas Jan Bruins achter stapel (1I);
- 1.00 STK Papier, UITLEG ELECTRA, in plastic tas Jan Bruins opslagruimte entree (2I);
- 1.00 STK Schakelaar, SCHAKELBLOKKEN op blauw kinderspeeltafeltje in praxis tas/x-aant (6I);
- 1.00 STK Elektronica, ELEC. MATERIAAL, schakelblokken, ijzeren ketting e.d kindertafeltje (7I);
- 1.00 STK Zak (verpakkingsmateriaal), gripzak met 3 groene pilletjes in grijze archiefkast (9I);
- 1.00 STK Zak (verpakkingsmateriaal), gripzakje met wit poeder lederen jas in grijze archiefkast (10I);
- 1.00 STK Zak (verpakkingsmateriaal), zakje met hennep in buffetkast in was/droogruimte (32I);
- 1.00 STK Zak (verpakkingsmateriaal) met hash in 6 ladenkastkastje voor raam woonkamer (37I);
- 1.00 STK Draad, ZEGELDRAAD, in kofferbak VW Golf [kenteken] (39I);
- 1.00 STK hennepkwekerij (diversen), kwekerij 2 ruimtes 192 planten (45I).
Gelast de teruggave aan Essent van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00 STK Tang, ZEGELTANG, zegels van Essent uit kofferbak VW golf [kenteken] (34I);
- 1.00 STK verbroken zegel van Essent VW Golf [kenteken] (36I);
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00 STK Tijdschrift HIGHLIFE, in tas Jan Bruins opslagruimte entree achterom (3I);
- 3.00 STK Kleding, in rode plast. tas lekkerland/opslagruimte entree a (4I);
- een geldbedrag van € 22.160,00, aangetroffen in 16 ladenkast 3e rij, achter lade (5I);
- 1.00 STK Brief, BRIEF/NOTITIE. prijzen en locaties zak van rib fluwelen jas (8I);
- 1.00 STK Papier, NOTITIEBRIEFJE in lederen jas in grijze archiefkast opslagruimte (11I);
- 1.00 STK Computer, DELL laptop uit 16 ladenkast 2e rij onderste lade huis/woonkamer (16I);
- Geld Euro's 4.000,00. in grijze PVC koker (17I);
- Geld Euro's 3.000,00, in kleine grijze pvc koker (18I);
- 1.00 STK Brief, Briefje met daarop [adres] op eetkamertafel (19I);
- 1.00 STK Papier Kleur geel, MET NAMEN, in bruin houten doosje in slaapkamer/fitnessruimte (20I);
- 1.00 STK Papier, OVERSCHRIJVING o.n.v. [verdachte] in zwarte tas in slaapkamer/fitness (21I);
- 1.00 STK Papier, GELDOPNAME, in bruine handtas hing aan zonnebank in slaapkamer (22I);
- 1.00 STK Ordner Kleur rood, INHOUD ADM. bescheiden, in 16-ladenkast, 3e rij bovenste la (23I);
- 2.00 STK Schrift Kleur rood, met aantekeningen 16-ladenkast, 3e rij bovenste la (24I);
- 1.00 STK Brief, kleur geel, A-4 met notities in wit kastje met 1 la/deur in eetkamer (25I);
- 4.00 STK Overall, DISPOSABLE, in grijze archiefkast opslagruimte/entree achterom (26I);
- 1.00 STK Papier met adres van [betrokkene] in VW Golf [kenteken] (27I);
- Geld Euro's 820,00, in bruin geldkistje bovenop witte buffetkast (28I);
- 1.00 STK Sigaret, peuk uit doos met vuilnis in de knipruimte (29I);
- 1.00 STK Zakdoek, tissue met bloed uit doos vuilnis "knipruimte" tussen 2 k (30I);
- 1.00 STK Beker, kleur wit, PLASTIC BEKERS uit doos met vuilnis in knipruimte tussen 2 kwek.(31I);
- 1.00 STK Document, aankoop verschillende panden was/droogruimte (33I);
- 4.00 STK Sleutelbos in middenconsole VW Golf [kenteken] (35I);
- 1.00 STK Sleutelbos VW Golf [kenteken] (36I);
- 2.00 STK Sleutel, 2 losse sleutels in dashboard VW Golf [kenteken] (38I);
- 1.00 STK Envelop met x-aantal bonnetjes opbergvak VW Golf [kenteken] (42I).
Aldus gewezen door
mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,
mr. M. van Zinnen en mr. M. Rutgers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 19 maart 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.