7.4.1. Voldoende aannemelijk is dat Staned, door de beëindiging door Stadler van de
transportopdracht aan Staned, vanaf 1 januari 2010 voor haar chauffeurs - onder wie ook [Geïntimeerde] - geen werk meer had. Naar het oordeel van het hof staat daarmee, mede bezien de positie van Stadler in deze zaak, weliswaar de - door [Geïntimeerde] betwiste - economische noodzaak van het ontslag van [Geïntimeerde] door Staned voldoende vast, zodat een daartoe strekkend bewijsaanbod niet meer relevant is, maar niet wat de uiteindelijke achtergrond was van het besluit om aan Staned geen vervoer meer te gunnen. Die omstandigheid acht het hof echter wel van belang gezien het feit dat de directeur en enig aandeelhouder van Staned, [directeur], tevens optrad als bestuurder van Stadler.
[Geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat het Staned (en in haar spoor Stadler) bij het ontslag van [Geïntimeerde] (en alle andere chauffeurs) in wezen ging om het verplaatsen van (dure) arbeidsplaatsen vanuit Nederland naar het (qua arbeidskosten goedkopere) Oostblok. In de overgelegde producties 5 tot en met 7 bij conclusie van repliek heeft het hof aanwijzingen gezien dat Stadler betrokken is bij werving van chauffeurs voor transportwerkzaamheden in Tsjechië en heeft het hof mede in verband daarmee Staned in het tussenarrest om de hiervoor weergegeven nadere inlichtingen gevraagd.
Nu Staned de door het hof gevraagde nadere inlichtingen niet heeft verstrekt, heeft
het hof door toedoen van Staned nog altijd onvoldoende zicht op de werkelijke verhoudingen tussen Staned en Stadler.
Uit het feit dat uit de door [Geïntimeerde] bij memorie na tussenarrest overgelegde salarisspecificaties met bankafschriften (productie 15) naar voren komt dat de door [Geïntimeerde] verrichte overuren aan hem niet door Staned, maar door Stadler werden betaald, leidt het hof af dat de geldstromen tussen Stadler en Staned in ieder geval niet geheel en al gescheiden waren.
De vraag wie aangaande Staned de feitelijke beslissingen neemt is eveneens door Staned onbeantwoord gebleven, maar uit bovenstaande blijkt in ieder geval van enige vervlechting tussen de belangen van Staned en Stadler.
Het hof stelt voorts vast dat, bij gebreke van nadere inlichtingen, van een directe economische noodzaak van de beëindiging door Stadler van de aan Staned verstrekte vervoersopdracht, waardoor Staned voor haar chauffeurs - onder wie [Geïntimeerde] - geen werk meer had, niet is gebleken. Dat Stadler bij die beslissing rekening heeft gehouden met de positie van de werknemers van Staned is evenmin gebleken. En evenmin dat Staned dan wel Stadler zich serieus beijverd heeft om [Geïntimeerde] elders al dan niet in het concern van Stadler vervangende arbeid aan te bieden.
Dat Staned geweigerd heeft om de door het hof gevraagde inlichtingen te verstrekken dient voor haar rekening te blijven met als gevolg dat ook niet kan worden vastgesteld dat de bedrijfseconomische omstandigheden van Staned zodanig waren dat het ontslag van [Geïntimeerde] zonder enige vergoeding noodzakelijk was. Het volgt in onvoldoende mate uit de inhoud van de schaarse door Staned in het geding gebrachte financiële stukken, terwijl bovendien bepaald niet uit te sluiten is dat de beëindiging van de vervoersopdracht door Stadler niet is ingegeven door een harde economisch noodzaak, maar slechts berust op intra concernbeleid, waarbij in ieder geval met de belangen van werknemers van de dochtermaatschappij Staned in onvoldoende mate rekening is gehouden.