Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 199433/HA ZA 09-2149)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“Het Groengroeiplan houdt in dat een participant, door middel van deelname aan het groengroeiplan gerechtigd is tot de (kap-) opbrengsten van de te telen boomsoort Robinia pseudoacacia (hierna te noemen: de “Robinia bomen”) op een door GIN vastgesteld perceel. (...) Het doel van het Groengroeiplan is de participant in het Groengroeiplan na 15 tot 20 jaar een financiële opbrengst te leveren door de Robinia bomen te oogsten en te verwerken tot halffabrikaat (gedroogd, gezaagd en bekantrecht Robiniahout). Een participant in het Groengroeiplan is gerechtigd tot vijfennegentig procent (95%) van de houtopbrengst gerealiseerd na oplevering van het hout: bruto verminderd met volumeverlies ten gevolge van (....). De overige vijf procent (5%) van de houtopbrengst vormt een bijdrage in de door GIN gemaakte kosten t.b.v. productontwikkeling van Robiniahout. GIN garandeert de participant dat op de daartoe in zijn participatiecertificaat aangegeven datum de door GIN geprognosticeerde houtvolumes ten belope van tenminste vijfenzeventig procent (75%) worden opgeleverd en te gelde worden gemaakt (hierna te noemen de “Volumegarantie”). Wanneer uw perceel niet het geprognosticeerde houtvolume oplevert, wordt dit bijgevuld uit een reserve areaal. (...) Dewaardeontwikkelingvan de participaties isafhankelijk van de prijsontwikkelingenop de markt vangezaagd, gedroogd en bekantrecht hout. Een en ander betekent dat de mogelijkheid bestaat dat bijongunstige houtprijsontwikkeling de inleg van de belegger geheel of gedeeltelijk verloren kan gaan. De belegger kan echter niet meer verliezen dan zijn inleg.”Op Nederlandse percelen zou een tussenkap plaatsvinden na acht en vijftien jaar. Vanaf al vóór 1 januari 2006 zijn alleen nog participaties in Franse plantagegronden verkocht (prod. 22 mem.v.grieven, p. 8 en p. 62).
“(..) Op basis van de door u overgelegde informaie concluderen wij dat bij het produkt Groengroeiplan geen sprake is van een beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds als bedoeld in art. 1a en b van de Wfb. Groengroeiplan valt derhalve niet onder de reikwijdte van de Wtb. Wij sluiten de mogelijkheid echter niet uit dat Groengroeiplan of Groen Invest Nederland (GIN) BV onder de reikwijdte valt van de Wet toezicht effectenverkeer. Als toezichthouder op dit terrein fungeert de Stichting Effectenverkeer (STE) (...). Wij hebben de hiervoor in aanmerking komende stukken ter beoordeling doorgezonden naar de STE. (...)”.In een notitie van [bestuurder 3.] d.d. 10 december 1996 (prod. 58 mem.v.antw.) is vermeld:
“(...) STE heeft nog steeds geen stukken van DNB ontvangen. Telf.gesprek met [medewerker van DNB] van DNB. (...) acht hij het nu niet meer zinvol e.a. door STE te laten toetsen opdat e.a. dan niet onder de reikwijdte van de Wet Toezicht Effectenverkeer valt. (..) DNB [medewerker van DNB] belt zelf STE dat toetsing WTE nie nodig is. De zaak is hiermede geheel afgehandeld.”
“De AFM heeft GIN Bomen er herhaaldelijk op gewezen dat het afwikkelplan van GIN Bomen om aan haar participanten een “kapconcessie” te verstrekken in plaats van de bestaande “houtvolumegarantie” en hiervoor bossen in Roemenië aan te kopen er niet toe leidt dat de vergunningplicht als neergelegd in art. 2:55 Wft Pro komt te vervallen. De “kapconcessie” vervangt immers “slechts” de toegevoegde “houtvolumegarantie”, maar laat de kern van het beleggingsobjectcontract (het opbrengstrecht) intact. Uit het afwikkelplan van GIN Bomen valt op te maken dat de bestaande beleggingsobjecten na deze wijziging nog door GIN Bomen gedurende zeven tot tien jaar wordt beheerd. Feitelijk is dan nog steeds sprake van een overeenkomst inzake een beleggingsobject als bedoeld in art. 1:1 Wft Pro (..). ”
“ 4.7.6 Rekening-courant de heer [geïntimeerde]. Uit de administratie van GIN blijkt per 31 maart 2009 een vordering van € 2.277.434. (...) is geen berekende rente met betrekking tot de rekening-courant met de heer [geïntimeerde] te ontlenen. Deze behandeling is overigens gelijk aan de behandeling van de (achtergestelde) leningen van de heer [geïntimeerde] (zie paragraaf 4.7.23) .(...)4.7.23 Lening [geïntimeerde]. Uit de grootboekadministratie blijkt een schuld per 31 maart 2009 aan de heer [geïntimeerde] groot € 14.395.199. (...) Van het totaal verschuldigde bedrag kan derhalve een bedrag groot € 7.861.419 conform de door [geïntimeerde] ondertekende achterstelling d.d. 9 augustus 2004 als achtergestelde lening worden aangemerkt.4.7.26 Uitbetaling participanten. Vanuit de grootboekadministratie hebben wij kunnen constateren dat er gedurende de jaren2004 tot en met 2009 diverse uitbetalingen aan participanten hebben plaatsgevonden. De uitkeringen bedragen (...) totaal € 744.159. Deze uitbetalingen zijn in het betreffende jaar van uitkering conform de grootboekadministratie ten laste van de gevormde voorziening gederfd rendement gekomen. (...).4.7.27 Directievergoeding. Wij hebben van zowel de heer [geïntimeerde] als van de heer [primair contactpersoon voor GIN] begrepen dat er door de heer [geïntimeerde] nimmer een directievergoeding is genoten. Dit wordt bevestigd door het feit dat wij hiertoe in de administratie van GIN ook geen onderliggende stukken of registratie hebben gevonden.”
“4.3. Administratieve organisatie. De financiële organisatie is tot 2001 door GIN in eigen beheer gevoerd en daarna voortgezet door [accountants] Accountants te [vestigingsplaats], waarbij de heer [primair contactpersoon voor GIN] primair contactpersoon was voor GIN. (...) Uit de door ons ontvangen bestanden blijkt dat de financiële administratie is bijgewerkt tot en met 31 maart 2009. (..) De financiële administratie is ingericht op het niveau van de moedermaatschappij Groen Invest Nederland (GIN) B.V. In deze administratie zijn tevens de financiële mutaties van alle Nederlandse dochtervennootschappen (zie figuur 4.2) geregistreerd. Wij hebben derhalve geconstateerd dat er geen afzonderlijke administratie per juridische entiteit is gevoerd, maar enkel een geconsolideerde administratie. (...) Deze administratie van de ingelegde gelden per participant is toegankelijk en gedetailleerd gevoerd. Wij hebben tevens kunnen vaststellen dat er jaarlijks op totaalniveau aansluitingen werden gemaakt tussen de omzetten in de (concept-) jaarrekeningen en de door participanten ingelegde gelden. (...) De door [accountants] Accountants in opdracht van GIN gevoerde (geconsolideerde) financiële administratie is goed toegankelijk en tevens gedetailleerd en consistent gevoerd. De financiële administratie heeft als basis gediend van de door [accountants] Accountants opgestelde conceptjaarrekeningen (tot en met 2006). Wij hebben de aansluiting tussen de financiële administratie en de desbetreffende concept-jaarrekeningen (tot en met 2006) kunnen vaststellen.4.4 Jaarrekeningen. Wij hebben in de administratie van GIN conceptjaarrekeningen 2002 tot en met 2006 aangetroffen. (..) Er zijn geen (concept-) jaarrekeningen over de jaren 2007 en 2008 aangetroffen. Daarnaast hebben wij slechts jaarrekeningen van de moedermaatschappij Groen Invest Nederland (GIN) B.V. aangetroffen. Van de onderliggende dochtermaatschappijen zijn door ons geheel geen jaarrekeningen aangetroffen. Van de heer [primair contactpersoon voor GIN] begrepen wij dat deze (vennootschappelijke) jaarrekeningen niet zijn opgesteld. (...) Wij hebben vastgesteld dat GIN tot en met het boekjaar 2005 conceptjaarrekeningen heeft gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. (...).”
(i) dat de curator tegenover het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat door de GIN-vennootschappen niet aan de boekhoudverplichting van art. 2:10 BW Pro is voldaan (r.o. 4.10);
‘goed toegankelijk en tevens gedetailleerd en consistent gevoerd’en dat BDO de aansluiting heeft kunnen vaststellen tussen de financiële administratie en de op basis daarvan opgestelde (geconsolideerde) conceptjaarrekeningen tot en met 2006.
‘niet aangetoond’zijn dat
‘in alle opzichten zal (kunnen) worden voldaan aan de gestelde vergunningsvereisten’en op het
‘(kunnen) schaden van het vertrouwen in de markt van beleggingsobjecten’.
het omvormen van de beleggingsovereenkomsten tot een product dat niet kwalificeert als beleggingsobject (bijvoorbeeld tot aandelen of obligaties) of het overdragen van de beleggingscontracten aan een aanbieder die wel een vergunning heeft’.Een voorstel van [geïntimeerde] bij brief van 10 september 2008 (prod. 28 mem.v.grieven) om door aankoop van volwassen bos het met de participanten overeengekomen houtvolume vervroegd ter beschikking van de participanten te stellen, waardoor geen sprake meer zou zijn van een beleggingsobject, is door de AFM bij brief van 23 september 2008 (prod. 29 mem.v.grieven) van de hand gewezen omdat volgens de AFM het haar
‘niet duidelijk is geworden dat er geen sprake is van het aanbieden van beleggingsobjecten in de door GIN Bomen beoogde afwikkelconstructie’. Voormelde stukken ondersteunen de stelling van [geïntimeerde] dat de AFM klaarblijkelijk maar één doel voor ogen had, namelijk het per direct afwikkelen van de contracten met de participanten. Nu het juist die directe beëindiging was die een belangrijke oorzaak was van het faillissement, ziet het hof zonder nadere, door de curator niet, althans onvoldoende gegeven, toelichting niet in hoe [geïntimeerde] dit gevolg van de weigering van de vergunning had kunnen voorkomen. De curator heeft wel verwezen naar de door de AFM genoemde manieren van afwikkeling van de contracten maar over de haalbaarheid van die alternatieven en over de vraag welk verschil dit voor de financiële toestand van de GIN-vennootschappen zou hebben gemaakt, is door de curator niets gesteld.
kennelijk onbehoorlijk bestuurvan een bestuurder. Daarvan is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Bovendien moet het gaan om een handelen waarvan de bestuurder heeft geweten of moeten weten dat schuldeisers van de vennootschap daardoor zouden worden benadeeld. Zoals door de rechtbank al opgemerkt, is voor een op art. 2:248 lid 1 BW Pro gegronde aansprakelijkheid van een bestuurder ingevolge art. 2:248 lid 6 BW Pro alleen een onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurder in de drie jaren vóór het faillissement relevant. Het hof zal de stellingen van de curator met betrekking tot de gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op grond van art. 2:248 lid 1 BW Pro met in achtneming van voormelde maatstaf beoordelen.
‘tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling ten behoeve van de boedel van de schade die de GIN-vennootschappen en/of haar schuldeisers hebben geleden ten gevolge van de aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortkoming(en) en/of onrechtmatig handelen of nalaten als omschreven in de memorie van grieven (...)’merkt het hof op dat de curator in de memorie van grieven voor deze vermeerdering van eis alleen verwijst naar de in art. 2:9 BW Pro geformuleerde gehoudenheid van een bestuurder jegens de door hem bestuurde rechtspersoon tot een behoorlijke taakvervulling. Enige bijzondere grondslag voor het in de subsidiaire vordering geformuleerde onrechtmatig handelen of nalaten wordt door de curator - afgezien mogelijk van de gestelde overboekingen van gelden van de GIN-vennootschappen aan [geïntimeerde] (6.6.8. mem.v.grieven), waarop het hof na de bespreking van de subsidiaire vordering ii. afzonderlijk zal ingaan - niet gegeven en enig onderscheid tussen schade die door de GIN-vennootschappen dan wel de schuldeisers van de vennootschappen is geleden wordt door de curator niet gemaakt. Met de aanduiding van ‘onrechtmatig handelen of nalaten’ en ‘en/of haar schuldeisers geleden schade’ doelt de curator kennelijk niet op enig ander handelen of nalaten of enige andere schade dan op het door hem gestelde tekortschieten van [geïntimeerde] jegens de GIN-vennootschappen in de van hem op grond van art. 2:9 BW Pro te verlangen behoorlijke taakuitoefening en de door de GIN-vennootschappen dientengevolge geleden schade. Het hof zal de subsidiaire vordering van de curator dan ook - afgezien van de hiervoor genoemde uitzondering - alleen op deze laatste grondslag beoordelen en, voor zover de curator met de bewoordingen van de subsidiaire vordering meer zou beogen te vorderen die vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen. Het hof acht hierbij in het bijzonder van belang dat de curator weliswaar kan optreden namens de gezamenlijke crediteuren (zoals met de primaire vordering op grond van art. 2:248 BW Pro) - en dat hij dat met de subsidiaire vordering ook beoogt te doen - maar dat hij in het kader van de subsidiaire vordering niet stelt dat en waarom enige tekortkoming van [geïntimeerde] op grond van art. 2:9 BW Pro tevens onrechtmatig handelen of nalaten jegens de gezamenlijke crediteuren ten tijde van het faillissement zou inhouden.
(a) niet beschikte over de noodzakelijke deskundigheid en kennis om een financiële instelling als de GIN-vennootschappen te besturen en evenmin bosbouwdeskundig(e) was;
‘de veroordeling van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 2.263.951,10, te vermeerderen met de daarover contractueel verschuldigde rente en wettelijke rente vanaf 29 oktober 2009 althans 29 januari 2010 tot de dag van algehele voldoening’.Het gaat hier om de rekening-courantschuld van [geïntimeerde] (in de rapportage van BDO per 31 maart 2009 becijferd op € 2.277.434,=). [geïntimeerde] betwist deze rekening-courantschuld niet maar beroept zich op verrekening van deze schuld met zijn vordering op de GIN-vennootschappen wegens verstrekte leningen van ruim € 14.000.000,= (in BDO rapportage per 31 maart 2009 becijferd op € 14.395.199,= met de toevoeging dat deze in de administratie € 1.333.333,= lager had moeten worden opgenomen).
‘in de loop der jaren’aan de vennootschappen ter beschikking gestelde gelden een beroep op het verrekeningsverbod naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat hij ‘onder meer’ de lening van ruim € 14.000.000,= in de vennootschappen heeft gestoken doch over wat hij nog meer aan privé-vermogen in de vennootschappen heeft gestoken is hij onvoldoende concreet zodat die enkele stelling niet tot een ander oordeel leidt. Ook de omstandigheid dat de GIN-vennootschappen zijn gefailleerd leidt het hof niet tot een ander oordeel.
“uw ref. ...”vermeld. De curator is bij het pleidooi niet meer ingegaan op de hiervoor gerelateerde toelichting van [geïntimeerde] op de aan hem overgemaakte bedragen als door de curator gesteld (€ 250.000,= en € 700.000,=). Naar het oordeel van het hof heeft de curator, voor zover hij met zijn stelling zou willen betogen dat aan [geïntimeerde] gelden zijn betaald waarop hij geen aanspraak kon maken, die stelling na en in het licht van het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende nader toegelicht. De subsidiaire vordering iii. is daarom evenmin toewijsbaar voor zover daarin mede een vordering van de curator van deze strekking begrepen moet worden geacht.