Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C].
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
(…)”
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, een zelfstandige ziekenverzorgster woonachtig in België, verzocht voor het jaar 2009 om een VAR-beschikking, die door de Inspecteur werd geweigerd. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de weigering vernietigd en de Inspecteur opgedragen alsnog de VAR-beschikking af te geven. Het Hof bevestigde deze uitspraak en stelde vast dat de weigering een onrechtmatige daad jegens belanghebbende vormde.
Vervolgens werd de omvang van de schade onderzocht. Belanghebbende stelde dat zij door het ontbreken van de VAR-beschikking cliënten misliep en claimde een schade van € 27.000. Zij overlegde zorgstaten, omzetoverzichten en andere financiële gegevens. De Inspecteur betwistte dit en stelde dat de omzetgegevens geen verband met schade aantoonden.
Het Hof concludeerde dat de door belanghebbende overgelegde gegevens onvoldoende bewijs boden voor daadwerkelijke schade als gevolg van de onrechtmatige daad. Er waren geen verklaringen van cliënten die aangaven dat zij geen overeenkomst sloten vanwege het ontbreken van de VAR-beschikking. Bovendien bleek uit omzetgegevens dat de totale omzet in 2009 significant was gestegen ten opzichte van 2008, wat suggereert dat eventuele verliezen elders werden gecompenseerd.
Daarom wees het Hof het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door het Hof op 25 april 2014 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens de weigering van de VAR-beschikking 2009 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade.