ECLI:NL:GHSHE:2014:1247

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 mei 2014
Publicatiedatum
2 mei 2014
Zaaknummer
20-003720-12
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 588a SvArt. 590 lid 3 SvArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en terugwijzing wegens nietigheid dagvaarding en ontbreken verschijning verdachte

In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in Maastricht vernietigd wegens procesrechtelijke tekortkomingen. De verdachte was niet op de wettelijk voorgeschreven wijze op de hoogte gebracht van het eerdere tijdstip van de terechtzitting en is niet verschenen. Hierdoor had de politierechter niet aan de behandeling ten gronde mogen toekomen.

De dagvaarding was aan de griffier betekend omdat er geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend was, terwijl de verdachte bij zijn eerste verhoor verklaarde te verblijven op een bekend adres in Maastricht. Er was nagelaten om de dagvaarding aan dat adres te verzenden, zoals vereist volgens artikel 588a, eerste lid, Sv. Dit leidde ertoe dat de behandeling in eerste aanleg nietig is verklaard.

Het hof oordeelde dat er geen omstandigheden waren die rechtvaardigden dat de dagvaarding niet op juiste wijze werd betekend of dat de verdachte niet aanwezig was. Daarom is de zaak terugverwezen naar de rechtbank Limburg voor een nieuwe behandeling met inachtneming van de procesregels.

De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van één maand geëist, met aftrek van voorarrest, maar het hof doet geen inhoudelijke uitspraak over de strafmaat omdat het vonnis is vernietigd. De zaak wordt opnieuw behandeld.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg wegens nietigheid van de dagvaarding en ontbreken van verschijning van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003720-12
Uitspraak : 2 mei 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 26 oktober 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-142415-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1976,
thans uit anderen hoofde verblijvende in D.C. Zeist, HvB arrestanten, mannen te Soesterberg,
waarbij verdachte ter zake van
  • “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” en
  • “handelen in strijd met een in artikel 3 van Pro de Opiumwet gegeven verbod”
werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft bepleit:
  • primair dat de dagvaarding in eerste aanleg alsnog nietig zal worden verklaard;
  • subsidiair dat het hof aan verdachte ter zake van het onder 1. ten laste gelegde geen straf of maatregel zal opleggen.
Geldigheid van de behandeling in eerste aanleg
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de dagvaarding van verdachte in eerste aanleg nietig dient te worden verklaard en de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank Limburg. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet is getracht de dagvaarding uit te reiken op het verblijfsadres van verdachte, namelijk [naam] in Maastricht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de ID-staat SKDB d.d. 24 februari 2014 blijkt dat van de verdachte ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg op 9 oktober 2012 geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Uitreiking van die dagvaarding heeft dan ook plaatsgevonden aan de griffier van de rechtbank, zodat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
Het hof stelt evenwel vast dat verdachte reeds bij zijn eerste verhoor heeft verklaard dat hij verblijft bij [naam] in Maastricht. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat dit [naam] is gelegen op het [adres]. Er is echter nagelaten om een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg aan dat bekende adres van verdachte te verzenden krachtens het bepaalde van artikel 588a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop had de politierechter het onderzoek ter terechtzitting op grond van artikel 590, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moeten schorsen, in aanmerking genomen dat zich naar het oordeel van het hof geen omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was dan wel dat verdachte kennelijk geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Het hof stelt vast dat de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting van
26 oktober 2012 is behandeld en dat toen ook meteen vonnis is gewezen.
Gelet op het vorenstaande had de politierechter niet aan de behandeling ten gronde mogen toekomen, aangezien één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, (te weten: de verdachte) aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte was gebracht van de dag van de terechtzitting en niet is gebleken van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat hem die dag tevoren bekend was. Het hof zal bijgevolg de behandeling in eerste aanleg nietig verklaren.
Nu namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is verlangd, zal het hof de zaak niet zelf afdoen, doch de zaak terugwijzen naar de rechtbank Limburg.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijstde zaak terug naar de rechtbank Limburg, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,
mr. J.J. van der Kaaden en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,
en op 2 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.