In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de afwikkeling van een aannemingsovereenkomst die per 8 oktober 2010 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Appellanten vorderen betaling van een bedrag van €12.369,03 vermeerderd met rente en kosten, terwijl geïntimeerde in reconventie betaling van meerwerk en restant aanneemsom eist.
De kantonrechter wees de vordering van appellanten af en oordeelde dat geïntimeerde niets meer verschuldigd was na beëindiging van de overeenkomst. Tegelijkertijd werd appellanten veroordeeld tot betaling van een deel van het meerwerk aan geïntimeerde. In hoger beroep hebben appellanten meerdere grieven ingediend en vorderden zij toewijzing van hun vorderingen en afwijzing van die van geïntimeerde.
Geïntimeerde stelde incidenteel appel in voor de resterende aanneemsom, hoewel niet expliciet gegriefd, hetgeen het hof als voldoende duidelijk beschouwde. Het hof besloot appellanten alsnog in de gelegenheid te stellen om in incidenteel appel te antwoorden en hield verdere beslissing aan, waarmee het proces wordt voortgezet.