Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1.],wonende te [woonplaats],
[appellante 2.],wonende te [woonplaats],
1.[geintimeerde 1.],wonende te [woonplaats],
[geintimeerde 2.],wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellanten zijn eigenaar van een perceel dat grenst aan dat van geïntimeerden, die op hun perceel beplanting hebben geplaatst binnen een halve meter van de erfgrens. Appellanten vorderden verwijdering of inkorting van deze beplanting omdat deze hoger is dan de scheidsmuur en daarmee in strijd is met artikel 5:42 BW Pro.
De rechtbank wees de vordering af, stellende dat appellanten geen rechtens te respecteren belang hadden. In hoger beroep oordeelde het hof dat de beplanting als bomen moet worden gekwalificeerd en dat deze binnen de verboden afstand van de erfgrens staat. Het hof stelde vast dat appellanten hinder ondervinden van lichtafname en overlast van bloesem en bladeren, terwijl het privacybelang van geïntimeerden minder zwaar weegt.
Het hof verwierp het verweer van misbruik van bevoegdheid door appellanten en veroordeelde geïntimeerden tot inkorting van de beplanting tot de hoogte van de scheidsmuur binnen vier weken, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens werden de proceskosten aan geïntimeerden opgelegd.
Uitkomst: Het hof veroordeelt geïntimeerden tot inkorting van de beplanting boven de scheidsmuur binnen vier weken met dwangsom bij niet-naleving en legt proceskosten aan geïntimeerden op.