Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, eigenaar van een monumentenpand met een winkel en bovenwoning, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 kosten voor de aanschaf en plaatsing van een hekwerk in aftrek als onderhoudskosten. Dit hekwerk was geplaatst om wildplassen in het portiek te voorkomen. De Inspecteur kwalificeerde deze kosten als verbeteringskosten en wees de aftrek af. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat onderhoudskosten volgens artikel 6.31, derde lid, Wet IB 2001 betrekking hebben op het herstellen of in stand houden van het pand zoals dat bij aanvang van de werkzaamheden bestond. Omdat het hekwerk nieuw was en het pand daarvoor niet was voorzien van een hek, betrof het geen onderhoud maar een verbetering.
Het Hof stelde vast dat de kosten niet als onderhoudskosten konden worden aangemerkt en dat de vraag naar toerekening aan het verhuurde deel daardoor niet hoefde te worden beantwoord. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Tevens werd het griffierecht niet vergoed en werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.