Uitspraak
5.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.De beoordeling
Bij de akte van 13 januari 1984 zijn voorts de volgende erfdienstbaarheden gevestigd:
a. ten behoeve van het aan [geïntimeerde] op grond van koop I geleverde gedeelte van perceel [perceel 5] en ten laste van het op grond van koop II geleverde gedeelte van perceel [perceel 5]:
“de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de doorgangen zoals die gemaakt zullen worden op de op aangehechte schets met toegang A en toegang B (deze laatste over een breedte van vijf meter) aangeduide plaatsen, welke erfdienstbaarheid zich uitstrekt over een strook grond ter breedte van vijf meter, te rekenen vanuit de noordgrens van het bij koop I verkochte. De eigenaar van het heersend erf is verplicht deze erfdienstbaarheid uit te oefenen op de voor de eigenares van het lijdend erf minst bezwarende wijze;”b. ten behoeve van de bij de kopen I en II verkochte gedeelten van de percelen [perceel 5] en [perceel 6] en ten laste van het bij verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van perceel [perceel 6]:
“de erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan naar de [VvEB], zulks over een strook grond ter breedte van zeven meter, te rekenen vanuit de zuid-oostgrens van het lijdend erf.”
De draaimogelijkheid naar het perceel van [geïntimeerde] wordt door de overbouw van de garage van [geïntimeerde] enigszins beperkt. De afstand tussen de hoek aan de rechtervoorzijde van de garage tot de dichtstbijzijnde muur van het appartementsgebouw Sigaeremaker (het hof begrijpt: [pand 7] op het als prod. 9 bij inl. dagv. overgelegde kadasteruittreksel c.q. [pand 8] t/m [pand 9] op prod. 1 bij concl.v.antw.) is een doorrijruimte van 6,50 m (p-v descente).
‘het regt om er met een wagen, een rijtuig, enz. over te rijden’.
‘(…) gaat het beperkte recht teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet’.
‘dat zij er beiden van uitgaan dat perceel [perceel 2] het heersende erf is en dat het heersend erf 325 m2 groot is’.