In deze civiele zaak stond centraal of een verhuurder zijn vordering tot ontbinding van een huurovereenkomst en betaling van huurachterstand moet richten tegen de huurder of diens bewindvoerder. De huurder stond sinds december 2009 onder beschermingsbewind. Het hof wachtte de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad af, die bevestigde dat dergelijke vorderingen tegen de bewindvoerder moeten worden ingesteld indien de rechten uit de huurovereenkomst tot het onder bewind gestelde vermogen behoren.
Naar aanleiding hiervan oordeelde het hof dat de vorderingen tegen de huurder niet-ontvankelijk zijn, omdat alleen de bewindvoerder formeel partij kan zijn zolang het bewind loopt. De huurder had de procedure niet overgenomen na het ontslag van de bewindvoerder. Het vonnis van 12 januari 2012 werd daarom vernietigd voor zover het de huurder betrof.
Het hof bevestigde tevens dat de bewindvoerder ontvankelijk is in hoger beroep en wees diens grieven af, waaronder het betwisten van de toegewezen geldvorderingen. De huurovereenkomst werd ontbonden en de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, energiekosten, rente en buitengerechtelijke kosten. Daarnaast werden partijen veroordeeld in de proceskosten. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.