Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1.],[appellante 2.],wonende te [woonplaats],
[appellant 3.],
14.Het verloop van de procedure
- de memorie na descente en comparitie, met producties, van [appellant 3.]/[appellante 4.];
- de antwoordakte na descente en comparitie, met producties, van [geïntimeerde].
15.De verdere beoordeling
op 1 januari 1992een buurweg was. De buurweg, geregeld in art. 719 BW Pro (oud), is immers per 1 januari 1992 uit het Burgerlijk Wetboek verdwenen. Wel bepaalt art. 160 OW Pro dat de op 1 januari 1992 bestaande rechten, bevoegdheden en verplichtingen met betrekking tot buurwegen ook na die datum blijven gehandhaafd.
“- mede - werd gebruikt om op hun eigendomspercelen te komen”. Het gebruik door [geïntimeerde] zelf van het bospad, toen zij aan de [perceel 1.] woonde, is voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een buurweg niet relevant, omdat zij, naar het hof uit de stukken begrijpt, toentertijd zowel (mede-) eigenaar- was van [perceel 1.] als van [perceel 2.], zodat er geen sprake was van gebruik door verschillende buren. Uit prod. 1 bij inleidende dagvaarding blijkt dat [zoon van geintimeerde] en zijn vrouw het perceel [perceel 1.] op 8 november 1985 van [geïntimeerde] (en haar toenmalige echtgenoot) hebben verkregen. Het door [appellant 1.]/[appellante 2.] gestelde, voor de beoordeling relevante, gebruik door henzelf en hun directe rechtsvoorgangers heeft derhalve slechts ruim zes jaar plaatsgevonden (8 november 1985-1 januari 1992). Dit is niet “
geruime tijd” en evenmin blijkt hieruit dat er “
langdurig ongestoord” bezit van het recht van buurweg is geweest. Nu geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld op dit punt komt het hof niet aan een bewijsopdracht toe.
indien en voor zover de camera’s op hun eigendommen gericht staan” er sprake zou zijn van inbreuk op hun privacy. Nu daarvan in het geval van dummy’s geen sprake is, faalt de grief bij gebrek aan belang.
dat laatste stukje van wat nu het pad is (thans hun oprit)”) niet geheel juist is. Het hof zal, voor zover thans van belang, de stellingen van [appellant 3.]/[appellante 4.] als volgt samenvatten. [appellant 3.]/[appellante 4.] stellen ten aanzien van het bospad (waarbij hun eiswijziging in de memorie van antwoord in incidenteel appel blijft geëcarteerd):
Er wordt slechts zeer beperkt gebruik gemaakt van het pad. De eerste 20 jaar heb ik er nooit iemand gezien”.
Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-of trekdieren of vee”, met een onderbord met als opschrift “
uitgezonderd bestemmingsverkeer”.
Ik wil [geïntimeerde] niet meer op mijn grondgebied hebben” en “
(..)maar in ieder geval mag [geïntimeerde] niet op het aan ons in eigendom toebehorende stukje eigen weg komen” zo verklaarde [appellante 4.] tijdens de comparitie en descente.
De gemeente heeft gezegd dat het landtongetje eigendom is van de NS. Daar heb ik vanuit mogen gaan. Het is een gemene streek van [appellant 3.]/[appellante 4.] om de eigendom daarvan te claimen”.
eigen weg” gemarkeerd. Zij stellen dat ter plaatse van die streep de kadastrale grens ligt en dat de inrit c.q. oprit naar hun woning daar begint. Zij stellen voorts over dit eerste stuk van hun oprit (het landtongetje): “
de oprit naar het perceel [perceel 3.] te [plaats] [kan
] niet worden aangemerkt als een “openbare weg” zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Wegenwet, hetgeen mede blijkt uit de woorden “eigen weg” die met witte verf op de oprit zijn aangebracht.” (mva inc. app. nr 15).
Van de [straat] mag slechts gebruik worden gemaakt door bestemmingsverkeer. Noch de [straat] noch de oprit naar uw perceel zijn derhalve voor een ieder vrij toegankelijk. (.) De oprit naar het perceel [perceel 3.] is uw eigendom. Het is ons college niet gebleken dat u aan de oprit de bestemming van openbare weg heeft gegeven. Integendeel, u heeft met verf op de oprit aangegeven dat het een eigen weg betreft.
Een toegangsweg tot eene boerderij, die slechts mag worden begaan door hen, die zich naar die boerderij wenschen te begeven, voldoet naar zijne meening, niet aan dit vereischte.” (MvA Bijl. II Hand. 1928-1929, nr 75, stuk nr. 2 blz. 4).