Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/253609/HAZA 12-873)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
“
2.1. Het woongebouw en de paardenstal zijn zonder bouwvergunning opgericht, zodat het college ter zake door middel van het aanzeggen van bestuursdwang handhavend kon optreden. (..) 2.3. Het college keert zich uitsluitend tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [partner van appellante] en [appellante] aan de totstandkoming van de overeenkomst en het voldoen van de niet onaanzienlijke eigen bijdrage, in redelijkheid het vertrouwen mochten ontlenen dat van gemeentewege werd ingestemd met de aanwezigheid van de gebouwen en dat in ieder geval niet van gemeentewege zou worden opgetreden door middel van een bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van het woongebouw met paardenstal. (..) 2.3.2. Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat [partner van appellante] en [appellante] uit de overeenkomst het in rechte te honoreren vertrouwen mochten ontlenen dat het college in de toekomst zal afzien van handhavend optreden tegen de illegale bebouwing. (..) 2.5. De voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat en dat het overgangsrecht niet van toepassing is. Op grond van hetgeen door [partner van appellante] en [appellante] overigens in beroep is gesteld kan niet worden aangenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het college ertoe hadden moeten nopen van handhavend optreden tegen de woning en de paardenstal af te zien.”.
(..) Wij achten het evenwel wenselijk om in dezen tot een finale oplossing te komen. Reden waarom wij besloten hebben om ten aanzien van de last betrekking hebbend op de paardenstal en de hieraan gebouwde berging, (vooralsnog) niet over te gaan tot het innen van de inmiddels verbeurde en nog te verbeuren dwangsommen. Zulks onder de hierna volgende voorwaarden: