Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure stond centraal of ING Bank ontvankelijk was in haar hoger beroep tegen een tussenvonnis van de kantonrechter. De kantonrechter had een incidentele vordering van de geïntimeerden toegewezen, waarbij zij moesten overleggen welke bescheiden nodig waren voor het verweer tegen de hoofdeis van ING.
ING stelde dat zij tegen dit tussenvonnis in hoger beroep mocht, omdat het zou gaan om een voorlopige voorziening ex artikel 337 lid 1 Rv Pro. Het hof oordeelde echter dat de vordering tot overlegging van bescheiden nauw samenhing met de hoofdzaak en diende ter instructie van de zaak, waardoor het vonnis een tussenvonnis was waarop artikel 337 lid 2 Rv Pro van toepassing is.
Omdat het hoger beroep niet gelijktijdig met het eindvonnis was ingesteld en de kantonrechter tussentijds geen hoger beroep had opengesteld, verklaarde het hof het hoger beroep van ING niet-ontvankelijk. ING werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die nihil werden begroot aan de zijde van de geïntimeerden.
Deze uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van hoger beroep tegen tussenvonnissen en benadrukt het belang van het gelijktijdig instellen van hoger beroep tegen eindvonnissen om ontvankelijkheid te waarborgen.
Uitkomst: Het hof verklaart ING niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis en veroordeelt ING in de kosten van het hoger beroep.