Partijen zijn in 1993 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 2008 gescheiden. De vrouw vorderde in eerste aanleg onder meer vernietiging van de huwelijkse voorwaarden en een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, terwijl de man reconventioneel de scheiding en deling op basis van de huwelijkse voorwaarden wilde vaststellen.
De rechtbank wees de vernietigingsvorderingen af en bepaalde de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke zaken, waaronder een afstorting van pensioenaanspraken en verrekening van overbedelingen. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep met vijf grieven over pensioenaanspraken, een rekening-courantschuld, een auto, de echtelijke woning en een capitolrekening.
Het hof oordeelde onder meer dat de vrouw zich niet kan beroepen op afstorting van het volledige pensioenbedrag wegens onvoldoende liquide middelen in het concern, dat de rekening-courantschuld nader moet worden toegelicht door de man, dat de auto als gemeenschappelijk goed moet worden betrokken bij de verdeling, dat de waardering van de echtelijke woning door de deskundige correct is en dat de man bewijs moet leveren over de capitolrekening. De zaak is aangehouden voor nadere stukken en reactie van partijen.