Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/274610 / KG ZA 14-105)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
“De investering in B.E.M. W&L B.V. is geen investering in Ri-Jo.”
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn in 1993 gehuwd en hebben een zoon. Na echtscheiding in 2004 is de man verplicht tot betaling van partner- en kinderalimentatie. Ondanks meerdere verzoeken tot wijziging is de alimentatieverplichting ongewijzigd gebleven. De man is in staat van faillissement geweest, maar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet kan betalen.
De vrouw vordert in kort geding lijfsdwang bij niet-betaling van de alimentatie. De rechtbank verleent dit en legt gijzeling op bij achterstallige betaling. De man gaat in hoger beroep tegen dit vonnis en voert onder meer aan dat hij niet kan betalen en dat de vrouw geen belang heeft bij gijzeling.
Het hof overweegt dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor betalingsonmacht en dat de alimentatieverplichting onverminderd geldt. Echter, het hof vindt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat haar belang bij lijfsdwang zwaarder weegt dan het belang van de man bij behoud van zijn vrijheid, mede omdat zij fulltime werkt en haar financiële situatie onduidelijk is.
Daarom vernietigt het hof het vonnis en wijst de vorderingen van de vrouw af. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vorderingen van de vrouw af wegens onvoldoende belang bij lijfsdwang.