In deze civiele zaak stond centraal of de kantonrechter terecht de huurovereenkomst had ontbonden en ontruiming had bevolen wegens niet-betaalde huur. De huurder had een beroep gedaan op opschorting van de huurbetaling vanwege gebreken aan het gehuurde, met name een niet gerepareerd raam.
Het hof stelde vast dat de huurder een aanzienlijke huurachterstand had opgebouwd, meer dan 14 maanden huur, en dat het niet gerepareerde raam geen rechtvaardiging bood voor opschorting van de huurbetaling. Het beroep op opschorting werd daarom verworpen. Wel werd erkend dat het nalaten van reparatie mogelijk tot schadeplichtigheid van de verhuurder kon leiden.
De huurder vorderde daarnaast schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, waaronder het gedwongen thuisblijven voor reparaties en geestelijke klachten. Het hof oordeelde dat de immateriële schade onvoldoende was onderbouwd en wees deze af. Voor materiële schade werd een comparitie gelast om nadere onderbouwing en bewijs te verkrijgen.
De ontbinding en ontruiming werden gehandhaafd. De procedure werd aangehouden voor nader onderzoek naar de schadeclaims en om te bezien of partijen tot een minnelijke regeling konden komen.