ECLI:NL:GHSHE:2014:3527

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
9 september 2014
Zaaknummer
HD 200.078.771_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwikkeling huwelijkse voorwaarden en vermogensverdeling

In deze civiele zaak staat de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en de verdeling van het vermogen centraal. De man en vrouw zijn in hoger beroep gegaan tegen eerdere vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het geschil betreft met name de peildatum voor de omvang van de gemeenschap en de vraag of er sprake is van verspilling van vermogen door de vrouw.

Het hof oordeelt dat de peildatum van 11 december 2008 door de rechtbank terecht is gehanteerd. Uit stukken blijkt dat op die datum een bedrag van €200.000,- op een rekening van de vrouw aanwezig was, en daarnaast circa €33.395,90 op een andere rekening, waarvan de helft aan de man toekomt. De man vordert betaling van dit deelbedrag, dat het hof toewijst.

De man stelde tevens dat na 27 september 2007 gelden door de vrouw zijn verspild, maar het hof wijst dit af wegens onvoldoende bewijs en omdat de man op de hoogte was van de bestedingen. De vrouw voerde in incidenteel hoger beroep onder meer mensenhandel aan en rechtsverwerking, maar het hof acht deze stellingen onvoldoende onderbouwd en wijst ze af.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, veroordeelt de vrouw tot betaling van €16.697,95 met wettelijke rente aan de man, verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €16.697,95 met wettelijke rente aan de man, met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.078.771/01
arrest van 9 september 2014
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr.J.E. Jalandoni te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 8 februari 2011 en 31 december 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer 208705/HA ZA 09-1670 gewezen vonnissen van 9 juni 2010 en 8 september 2010.

8.Het tussenarrest van 31 december 2013

8.1.
Bij genoemd arrest is de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2014 verwezen voor akte aan de zijde van de vrouw.

9.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

9.1.
De vrouw en de man hebben elk een (antwoord-)akte, voor de vrouw met bijlagen, genomen. Vervolgens heeft het hof de uitspraak op 16 september 2014 bepaald.

10.De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
10.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de eerste grief van de man voor zover die ziet op de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen peildatum voor de omvang van de te verdelen gemeenschap, te weten 11 december 2008, faalt. Voorts heeft het hof in dit arrest overwogen dat de vrouw geen feitelijke gegevens heeft verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van de man, namelijk dat er op voornoemde datum een groter vermogen verrekend dient te worden dan het door de rechtbank in aanmerking genomen vermogen van € 200.000,-, subsidiair, indien er minder vermogen aanwezig is, er sprake geweest is van verspilling op grond waarvan de vrouw jegens hem schadeplichtig is. Het hof heeft van de vrouw verlangd, nu het gaat om gegevens waarover de man niet kan beschikken, dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt, teneinde de man aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering.
10.2.
De vrouw heeft bij akte met bijlagen van 14 februari 2014 aan het verlangen van het hof voldaan, waarna de man bij antwoordakte van 24 februari 2014 hierop heeft gereageerd. Het hof merkt hierbij overigens vooreerst op geen acht te slaan op productie 3 van genoemde akte van de zijde van de vrouw nu het hof hier niet om gevraagd heeft. Voor zover de man in zijn akte opmerkt dat in meergenoemd tussenarrest een bewijsopdracht aan de vrouw zou zijn gegeven, berust die opmerking op een onjuiste lezing van het arrest. Immers het hof heeft in zijn tussenarrest nu juist expliciet overwogen dat de bewijslast van de stellingen van de man bij hem berust, maar dat het de vrouw is die over relevante stukken beschikt en gehouden is deze in het geding te brengen.
11. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er op de rekening met nummer [nummer 5] ten name van de vrouw (productie 9 bij de akte) op de peildatum, 11 december 2008, nog een bedrag van € 200.000 – aanwezig was. Dit komt dus overeen met het bedrag dat genoemd wordt in de brief van de toenmalige raadsman van partijen van 11 december 2008 en van welk bedrag ook de rechtbank is uitgegaan. Het hof gaat er dus vanuit dat dit bedrag in de verdeling zoals is vastgesteld door de rechtbank is betrokken.
11.1.
Voorts blijkt dat op rekening met nummer [nummer 6] ten name van de vrouw (productie 5 bij de akte) op de peildatum nog ongeveer een bedrag van € 33.395,90 aanwezig was, welk saldo de vrouw alsnog met de man dient te delen.
11.2.
Voor het overige is niet gebleken dat er op de peildatum nog saldi op de rekeningen waren waarover de vrouw kon beschikken en heeft de man zijn stellingen op dit punt overigens ook niet ten bewijze aangeboden, zodat zijn tweede grief slechts in zoverre slaagt dat de vrouw aan hem nog dient te voldoen een bedrag van € 16.697,95 (€ 33.395,90 : 2), naast het bedrag dat volgt uit het vonnis van de rechtbank van 8 september 2010 van
€ 172.460,- (€ 119.920,- + € 52540,-) .
12. In zijn derde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte zijn subsidiaire vordering heeft verworpen. De rechtbank heeft met betrekking tot deze vordering overwogen dat uit het verhoor van de man bij de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen op 27 september 2007 blijkt dat de vrouw tot die datum en ook daarna alle vrijheid had met de door de man aan haar overgemaakte bedragen te doen wat zij wilde. Dit echter ten onrechte, aldus de man. De man betwist dat de bedragen die door hem voor 27 september 2007 aan de vrouw zijn overgemaakt verspild mochten worden. Deze waren bestemd voor het opstarten van een horecaonderneming in België. Voor zover de verklaringen van de man als instemming dienen te worden aangemerkt dan kan die instemming slechts gelden tot 27 september 2007. Na deze datum is er meer dan € 500.000,- aan gelden vrijgekomen uit de verkoop van onroerend goed.
De vrouw verwijst in haar verweer naar het verhoor van de man op 27 september 2007 en naar het feit dat uit het verslag van dit verhoor blijkt dat de man doelbewust grote sommen geld aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld en het beheer van het vermogen volledig aan haar heeft overgelaten. Zij heeft steeds rekening en verantwoording afgelegd en zij is altijd open geweest over het saldo van het vermogen, zoals ook blijkt uit de brief van de advocaat van partijen in de echtscheidingsprocedure van 11 december 2008.
12.1.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de bedragen die gekomen zijn uit de verkoop van de registergoederen (deels) door de man op de rekening(en) van de vrouw gestort zijn. In 2007 is de man gehoord door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen in verband met een aantal ongebruikelijke transacties op bankrekeningen bij Fortis België op naam van de vrouw en/of [bankrekeninghouder]. Uit dit verhoor kan worden opgemaakt dat de man volledig op de hoogte was met de transacties en meer dan dat, daar ook volledig achterstond. De man voert thans aan dat in het geval zijn eerste stelling wordt verworpen er van uitgegaan dient te worden dat de gelden die na 27 september 2007 door hem zijn betaald, door de vrouw zijn verspild.
Het hof kan de man in deze stelling niet volgen. Immers de man wist reeds in 2007 dat de gelden die hij aan de vrouw betaalde werden uitgegeven. Dat heeft hem er niet van weerhouden ook in 2008 nog substantiële bedragen aan de vrouw over te maken. Dat deze gelden bestemd zouden zijn voor de start van een horeca onderneming wordt door de vrouw gemotiveerd betwist en door de man niet verder onderbouwd. Op de man rust de stelplicht en bewijslast. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man echter onvoldoende gesteld om verspilling aan te kunnen nemen, terwijl de man evenmin zijn stelling voldoende concreet ten bewijze heeft aangeboden. De derde grief van de man faalt derhalve.
13. Thans ligt nog voor de bespreking van de grief van de vrouw in het incidentele appel. Het hof begrijpt deze grief aldus dat de vrouw betoogt dat de vordering van de man dient te worden afgewezen op grond van door haar in hoger beroep geopenbaarde feiten en omstandigheden alsmede het bij haar gewekte vertrouwen omtrent het afzien van verdeling en de bedoeling van partijen dienaangaande. De vrouw doelt hierbij meer in het bijzonder op haar stelling dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel, dat zij door de man als het ware gekocht is, dat het geld dat aan haar door de man ter beschikking is gesteld aan mensenhandelaren voldaan is en dat voor het overige het geld is besteed aan de kosten van de huishouding, zodat er ten tijde van de echtscheiding niets meer te verdelen was. Voorts mocht de vrouw er, gelet op de mededelingen van de man bij hun gezamenlijke advocaat, op vertrouwen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hadden en dat er geen verrekening of verdeling op basis van de huwelijkse voorwaarden zou volgen.
De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.
13.1.
De vrouw heeft haar stelling dat zij slachtoffer geweest is van mensenhandelaren en dat zij als het ware gekocht zou zijn door de man niet nader onderbouwd. De stukken die door de vrouw thans in het geding gebracht zijn, onder andere het proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2011 alsmede de processen-verbaal van verhoor op 31 mei 2011 en 9 juni 2011 zijn daartoe volstrekt ontoereikend, nu deze enkel gebaseerd zijn op verklaringen van de vrouw zelf. Er is geen enkel stuk in het geding gebracht dat de verklaringen van de vrouw ondersteunt. Een voldoende concreet bewijsaanbod ontbreekt.
Met betrekking tot het beroep van de vrouw op rechtsverwerking (artikel 6:2 Burgerlijk Pro Wetboek) overweegt het hof als volgt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De enkele verwijzing naar de brief van de gezamenlijke advocaat van 11 december 2008 is onvoldoende om van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld uit te gaan, waarbij komt dat uit die brief ook niet die gevolgtrekking te maken valt die de vrouw daaraan nu verbindt. De grief van de vrouw in het incidenteel appel faalt.
14. Uit het vorenstaande volgt dat het hof in aanvulling op de veroordeling door de rechtbank de vrouw zal veroordelen tot betaling van € 16.697,95 met wettelijke rente. Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna te melden.

15.De uitspraak

Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 september 2010 behoudens voor zover daarin het meer of anders door de man gevorderde is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de vrouw aan de man een bedrag te betalen van € 16.697,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de kosten van de procedures in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.