ECLI:NL:GHSHE:2014:3619

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 september 2014
Publicatiedatum
16 september 2014
Zaaknummer
20-000632-09
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 1 lid 4 OpiumwetArt. 3 onder A OpiumwetArt. 3 onder C Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen invoer en bezit grote hoeveelheid hennep

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Breda werd de verdachte verdacht van medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep in Nederland in januari 2008. Het hof heeft het dossier, inclusief tapgesprekken en observaties, onderzocht en geconcludeerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om de tenlastelegging te bewijzen.

Hoewel uit telefoongesprekken bleek dat verdachte contact had met medeverdachten en in januari 2008 naar Thailand reisde, waar hij gesprekken voerde over een ontmoeting en papieren, kon het hof niet vaststellen dat deze handelingen direct verband hielden met de invoer van hennep in Nederland. Verdachte ontkende betrokkenheid bij de voorbereiding van de invoer.

Daarom vernietigde het hof het bestreden vonnis voor zover het betrekking had op deze tenlastelegging en sprak verdachte vrij van het medeplegen van het invoeren en aanwezig hebben van hennep. Deze uitspraak bevestigt het belang van een wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling in strafzaken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen invoer en bezit van hennep wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000632-09
Uitspraak : 16 september 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van
11 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-996013-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is:
  • de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde;
  • de verdachte ter zake van “Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht (feit 5).
De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 5. is ten laste gelegd.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van
23 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 5. ten laste gelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof, anders dan de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring komt van het onder 5. ten laste gelegde.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
5.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 januari 2008 tot en met
31 januari 2008 te Amsterdam en/of Schiphol en/of Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 850 kilogram, althans ongeveer 603 kilogram, in ieder geval (telkens) een hoeveelheid, hennep, in ieder geval een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit de in het dossier aanwezige tapgesprekken en observaties blijkt dat verdachte, rondom de ten laste gelegde periode, telefonische contacten heeft onderhouden en ontmoetingen heeft gehad met de medeverdachten. Hieruit is, naar het oordeel van het hof, op zich onvoldoende rechtstreeks bewijs te destilleren dat betrokkene het ten laste gelegde heeft begaan. Uit tapgesprekken is echter wel gebleken dat verdachte naar Thailand is geweest en op 13 januari en 14 januari 2008 telefonisch heeft gesproken met medeverdachte [medeverdachte] over –kennelijk- een ontmoeting aldaar met een persoon, over papieren, over uitproberen en over het feit dat hij (verdachte) er alleen een foto van hoeft te maken. Verdachte is, blijkens vluchtgegevens, op 15 januari 2008 teruggekeerd uit Thailand. Indien het hof er, alle feiten en omstandigheden in samenhang beziend, al van uit zou gaan dat deze gesprekken betrekking hebben op de partij hennep die in Nederland is ingevoerd en die is aangetroffen in Amsterdam op 31 januari 2008 en dus aangenomen zou kunnen worden dat verdachte deze invoer in Thailand op 13 en 14 januari 2008 kennelijk heeft voorbereid -hetgeen verdachte heeft ontkend- dan kan het hof nog niet tot een bewezenverklaring komen van hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen, te weten (het medeplegen van) in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en aanwezig hebben van hennep in de periode van 23 januari 2008 tot en met 31 januari 2008. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het hem ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaartniet bewezen dat de verdachte het onder 5. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. H. Harmsen, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,
en op 16 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.