De vrouw en de jongmeerderjarige zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die de man verplichtte een maandelijkse bijdrage van €25 per kind te betalen voor levensonderhoud en studie.
Zij stelden dat het netto besteedbaar inkomen van de man onjuist was vastgesteld vanwege een afwijkend bedrijfsresultaat in 2012, vermeende creatieve boekhouding, niet meegerekende buitenlandse bankrekeningen en een kostbare schilderijencollectie. De man betwistte deze stellingen en leverde aanvullende stukken over 2013.
Het hof oordeelde dat de stellingen van de vrouw onvoldoende waren onderbouwd en dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over 2010-2012 terecht als uitgangspunt was genomen. Ook de vermeende buitenlandse bankrekeningen en waardevolle schilderijen werden niet aannemelijk gemaakt. De bijdrage van €25 per maand per kind werd daarom bekrachtigd.
De ingangsdatum van de alimentatie werd ongewijzigd vastgesteld op 1 juni 2013. Het hof concludeerde dat de draagkracht van de man correct was vastgesteld en wees alle grieven van de vrouw en de jongmeerderjarige af.