In deze zaak staat de zorg- en contactregeling tussen een vader en zijn twee dochters na echtscheiding centraal. De rechtbank had eerder bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en beperkte begeleide omgang met de vader voor [dochter 2] toestond, terwijl het verzoek tot contact met [dochter 1] werd afgewezen. De vader ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof heeft uitgebreid onderzoek laten verrichten door de Raad voor de Kinderbescherming, die concludeerde dat [dochter 1] ernstige bezwaren heeft tegen contact met haar vader en dat het op dit moment schadelijk zou zijn haar te dwingen tot contact. Voor [dochter 2] adviseerde de raad een beperkte, begeleide omgang met de vader, met ruimte voor toekomstige uitbreiding.
De vader stemde in met het niet vaststellen van contact met [dochter 1], maar wilde een ruimere contactregeling met [dochter 2]. Het hof volgt dit en stelt een contactregeling vast waarbij [dochter 2] één keer per zes weken zes uur contact heeft, begeleid door familieleden van de vader, met een toekomstig perspectief op uitbreiding na een jaar. Het hof benadrukt dat de ouders hun verantwoordelijkheid moeten nemen om de situatie te verbeteren en dat het contact met [dochter 1] mogelijk in de toekomst kan worden heroverwogen.
Het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat dit niet in hoger beroep kan worden ingesteld. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de contactregeling met [dochter 2] betreft en het hof stelt de nieuwe regeling vast, uitvoerbaar bij voorraad.