Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2600716 rolno. 13-16289)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
huurachterstand mei t/m augustus [appellant][adres 1] behorende bij [leningnummer].
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om een geschil tussen huurder en verhuurder van een bedrijfsruimte met horecabestemming. De huurder had de bovenverdieping gehuurd en later een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor de benedenverdieping met een looptijd tot 2016. Na het ontstaan van huurachterstanden en schades werd in augustus 2013 een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij de huurovereenkomst per 1 september 2013 zou eindigen.
De huurder heeft echter de bedrijfsruimte na die datum niet ontruimd en geen huur of gebruiksvergoeding meer betaald. De verhuurder vorderde daarop ontruiming en betaling van een voorschot op schadevergoeding. De kantonrechter wees deze vorderingen toe en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De huurder stelde in hoger beroep dat de verhuurder geen spoedeisend belang had en dat de beëindigingsovereenkomst vernietigbaar was wegens dwaling en bedrog.
Het hof oordeelde dat het spoedeisend belang van de verhuurder wel aanwezig was, gezien de niet-betaling en het gebruik zonder vergoeding, en de financiële situatie van de verhuurder. Het beroep op vernietiging van de overeenkomst kon niet in kort geding worden beoordeeld en moest in een bodemprocedure worden onderzocht. Het hof bevestigde daarom de ontruimingsvordering en de betalingsverplichting van de huurder als voorschot op schadevergoeding. Het hoger beroep werd afgewezen en de huurder werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ontruimingsvordering en betalingsverplichting worden bevestigd.