Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3028887 rolnummer 14-5276)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Kempenhaeghe is het leidend expertisecentrum in Nederland binnen onder andere de vakgebieden slaapgeneeskunde en neurologische leer- en ontwikkelingsstoornissen. Kempenhaeghe is aldus een derdelijns gezondheidscentrum waar cliënten naartoe worden verwezen op het moment dat de eerste- of tweedelijns gezondheidszorg niet toereikend is.
is sinds 10 juni 2012 in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte niet in staat de bedongen arbeid te verrichten. Hij is die dag op straat gevallen en heeft een hersenkneuzing opgelopen, hetgeen heeft geleid tot een zogenaamde niet-aangeboren hersenafwijking. [appellant] is vanaf 15 oktober 2012 begonnen met re-integreren.
(…) De ondernomen re-integratie inspanningen zijn onvoldoende want werknemer(hier: [appellant])
werkt niet terwijl hij wel arbeidsmogelijkheden heeft. Er zijn mogelijkheden in spoor één aangegeven, zoals reeds beschreven in het deskundigen oordeel van begin 2014, die werkgever(hier: Kempenhaeghe)
na interne overwegingen niet verder wenste te onderzoeken. Verder zijn er te laat activiteiten ondernomen in het 2e spoor. In april 2013 wordt in een memo (19-04-2013) al gesproken over twijfel over de haalbaarheid maar pas in januari 2014 (14-01-2014) wordt een offerte door een re-integratiebureau gedaan die op 30-01-2014 wordt bevestigd. Het traject spoor twee zal eind maart 2014 gaan starten.
(..) Zolang er twijfel bestaat aan volledige inzetbaarheid van cliënt, met name met betrekking tot patiëntcontact/-onderzoek, dan wel diagnostiek, op basis van bovenstaande beperkingen, ook inzet van voorzieningen en/of aanpassingen het potentiële afbreukrisico niet wegnemen. Een voortdurende controle, dan wel monitoring zal noodzakelijk blijken te zijn zodat potentiële risico’s worden ondervangen.”
Re-integratie inspanningen dienen zich te richten op het in beeld krijgen van de (eigen) mogelijkheden van een individuele werknemer waarbij ook het hervinden van zelfvertrouwen over de eigen mogelijkheden prominente aandacht moet krijgen. Bij deze re-integratie inspanningen kan evengoed patiënten belang gewaarborgd worden door patiëntencontacten te beginnen alleen middels supervisie en/of video opname, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd. Werkgever heeft twijfel over de leerbaarheid dat van cliënt. Op grond van laatste neuropsychologisch onderzoek is vastgesteld dat “geen verder herstel is opgetreden en dat er thans vanuit gegaan kan worden dat het gaat om blijvende restverschijnselen.