ECLI:NL:GHSHE:2014:4512

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 oktober 2014
Publicatiedatum
31 oktober 2014
Zaaknummer
F 200.148.953-01 en F 200.148.222-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 BWArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging erkenning minderjarige wegens twijfel biologische vaderschap

De zaak betreft het hoger beroep tegen beschikkingen van de rechtbank Maastricht inzake de erkenning van een minderjarige door een man die mogelijk niet de biologische vader is. De moeder en de bijzondere curator van de minderjarige hebben verzocht de erkenning te vernietigen, stellende dat de man de biologische vader niet kan zijn omdat hij de moeder pas na de geboorte heeft leren kennen.

De rechtbank had een DNA-onderzoek bevolen en het verzoek tot vernietiging afgewezen. Zowel de moeder als de bijzondere curator zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof overweegt dat vernietiging van erkenning alleen mogelijk is indien vaststaat dat de erkenner niet de biologische vader is. De enkele stelling van de moeder is onvoldoende zonder betrouwbaar DNA-onderzoek.

Het hof gelast daarom een deskundigenonderzoek naar het vaderschap door een DNA-specialist en bepaalt dat de kosten voorlopig uit de rijkskas worden voorgeschoten. De zaak wordt aangehouden tot 31 maart 2015 om de resultaten van het onderzoek af te wachten, waarna partijen de gelegenheid krijgen schriftelijk te reageren.

Uitkomst: Het hof gelast een DNA-onderzoek naar het vaderschap en houdt de zaak aan tot de resultaten bekend zijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 30 oktober 2014
Zaaknummers: F 200.148.953/01 en F 200.148.222/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/175449 / FA RK 12-1150
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P. Winkens,
en
in de zaak in hoger beroep van:
Mr. Ellen Geertruida Wilhelmina Hendriks,
advocaat, kantoorhoudende te [kantoorplaats],
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige
[de zoon],
hierna te noemen: [de zoon].
Als belanghebbende in beide zaken wordt aangemerkt:
[geintimeerde],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.C. van Heerd.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 februari 2014 en naar de beschikking van die rechtbank van 29 augustus 2013.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Gelet op de samenhang van de ter griffie van het hof onder F 200.148.953/01 en F 200.148.222/01 ingeschreven zaken, heeft het hof de voeging daarvan gelast, zodat op beide zaken gezamenlijk zal worden beslist.
In de zaak in hoger beroep met zaaknummer F 200.148.953/01:
2.2.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 mei 2014, zoals gewijzigd bij brief van de advocaat van de moeder van 6 juni 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 6 februari 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van [de zoon] tot vernietiging van zijn erkenning door de man toe te wijzen, alsmede te bepalen dat de door de deskundige in rekening gebrachte en nog te brengen kosten voor rekening van de staatskas komen.
2.3.
Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 23 juni 2014, heeft de bijzondere curator verzocht voormelde beschikking van 29 augustus 2013 en die van 6 februari 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de zoon] alsnog wordt toegewezen.
In de zaak in hoger beroep met zaaknummer F 200.148.222/01:
2.4.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2014, heeft de bijzondere curator verzocht voormelde beschikking van 29 augustus 2013 en die van 6 februari 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de zoon] alsnog wordt toegewezen.
2.5.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juni 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 6 februari 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de zoon] door de man toe te wijzen, alsmede te bepalen dat de door de deskundige in rekening gebrachte en nog te brengen kosten voor rekening van de staatskas komen.
In beide zaken:
2.6.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.7.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de brief met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 juni 2014;
  • de brief met bijlage van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de stichting) d.d. 26 mei 2014;
  • de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 19 juni 2014.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de moeder is op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] [de zoon] geboren.
[de zoon] staat onder toezicht van de stichting en hij is met een machtiging van de rechtbank uit huis geplaatst bij een pleegouder.
3.2.
De moeder en de man zijn op 24 augustus 2010 te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Op 28 oktober 2011 is [de zoon] met toestemming van de moeder door de man erkend, waarbij als geslachtsnaam voor [de zoon] is gekozen voor [de geslachtsnaam van de man], de geslachtsnaam van de man.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2012 is de echtscheiding tussen de moeder en de man uitgesproken, welke beschikking op 7 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4.
[de zoon], vertegenwoordigd door de moeder, heeft op 15 oktober 2012 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend dat strekt tot vernietiging van zijn erkenning door de man.
3.5.
Bij beschikking van 23 november 2012 heeft de rechtbank mr. E.G.W. Hendriks tot bijzondere curator over [de zoon] benoemd.
3.6.
De rechtbank heeft bij beschikking van 29 augustus 2013 - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - een deskundigenonderzoek bevolen naar het DNA van de man, van [de zoon] en van de moeder ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van [de zoon].
3.7.
Bij beschikking van 6 februari 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [de zoon], vertegenwoordigd door de moeder, afgewezen, de kosten van de deskundige vastgesteld op een bedrag van € 50,-- en zowel de moeder als de man veroordeeld in de helft van die kosten.
3.8.
De moeder en de bijzondere curator kunnen zich met de onder 3.6. en 3.7 vermelde beschikkingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.9.
De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte een DNA-onderzoek bevolen (grief 1). Volgens de moeder staat met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid vast dat de man niet de biologische vader van [de zoon] is. De moeder heeft de man immers pas leren kennen lang nadat [de zoon] geboren is. De man heeft ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [de zoon] tot vernietiging van de erkenning. De rechtbank had derhalve ook zonder de medewerking van de moeder en de man aan een DNA-onderzoek, kunnen bepalen dat de man niet de verwekker van [de zoon] is (grief 2). De moeder is tot slot van mening dat de rechtbank ten onrechte zowel de moeder als de man heeft veroordeeld in de helft van de door de deskundige in rekening gebrachte kosten (grief 3).
3.10.
De bijzondere curator voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte een DNA-onderzoek bevolen, aangezien de moeder de man pas heeft leren kennen na de geboorte van [de zoon] en de man derhalve niet de biologische vader van [de zoon] kan zijn, er voorts geen sprake is van enig contact tussen de man en [de zoon] na het feitelijk verbreken van de relatie tussen de moeder en de man, de man in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd en [de zoon] niets van de man te verwachten heeft (grief 1). De bijzondere curator stelt verder dat, nu de man geen verweer heeft gevoerd en derhalve niet in geschil is dat hij niet de biologische vader van [de zoon] is, de rechtbank ten onrechte in strijd met de belangen van [de zoon] het verzoek van de moeder heeft afgewezen (grief 2).
3.11.
De stichting heeft bij brief van 26 mei 2014 laten weten de grieven van de bijzondere curator te onderschrijven.
3.12.
De man heeft bij referteverklaring van 18 juni 2014 verklaard zich niet te verzetten tegen het door de moeder verzochte. In de brief van 19 juni 2014 heeft de advocaat van de man opgemerkt dat in het inleidende verzoekschrift van de moeder een foutief adres van de man is vermeld, dat de man daardoor niet in kennis is gesteld van het inleidende verzoekschrift noch is opgeroepen voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank en dat hij ook geen bericht heeft ontvangen van Verilabs over een DNA-onderzoek.
3.13.
Het hof overweegt als volgt.
3.13.1.
Ingevolge artikel 1:205 lid 1 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.
3.13.2.
Het hof stelt voorop dat met het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [de zoon] door de man een rechtsgevolg wordt beoogd dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het verzoek, ook nu de man zich in hoger beroep niet verzet tegen het door [de zoon] verzochte, alleen toewijsbaar is indien en voor zover vast komt te staan dat de man niet de biologische vader van [de zoon] is. Evenals de rechtbank acht het hof de enkele stelling van de moeder dat de man niet de biologische vader van [de zoon] kan zijn, omdat [de zoon] is geboren voordat de moeder de man heeft leren kennen, onvoldoende om, zonder dat een deugdelijk en betrouwbaar DNA-onderzoek is verricht, over te gaan tot vernietiging van de erkenning van [de zoon] door de man. De omstandigheid, dat de man zich niet tegen het verzoek verweert, maakt dit niet anders. Op het voorgaande stuiten de grieven 1 en 2 van de moeder en van de bijzondere curator af.
3.13.3.
In het beroepschrift heeft de moeder te kennen gegeven bereid te zijn haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek. Uit de brief van de advocaat van de man en de daarbij overgelegde referteverklaring leidt het hof af dat ook de man die bereidheid heeft.
Gelet op het voorgaande zal het hof een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 194 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gelasten ter beantwoording van de vraag of de man kan worden aangemerkt als de verwekker van [de zoon].
3.13.4.
Nu zowel aan de moeder als aan de man een toevoeging is verleend, zal het hof bepalen dat de kosten van de deskundige, vooralsnog begroot op € 855,--, uit ’s Rijks kas zullen worden voorgeschoten. Bij de te geven eindbeschikking zal het hof aan de hand van de dan bekende feiten en omstandigheden de totale kosten van de deskundige vaststellen en een beslissing nemen met betrekking tot de vraag ten laste van wie die kosten dienen te worden gebracht.
3.14.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, en wel tot 31 maart 2015 pro forma, teneinde de resultaten van het deskundigenbericht af te wachten. Partijen worden na bekendwording van de uitslag van het onderzoek in de gelegenheid gesteld daarop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren.

4.De beslissing

Het hof:
gelast een deskundigenonderzoek naar de vraag of [geintimeerde]
de verwekker is van de minderjarige [de zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001;
benoemt tot deskundige dr. M. Hidding of haar plaatsvervanger, DNA-specialist, van Verilabs Nederland B.V., Postbus [postbus], [postcode] [plaats];
verzoekt de deskundige zelfstandig het onderzoek in te stellen op de tijd en de plaats als door de deskundige in overleg met partijen nader te bepalen;
verzoekt de deskundige een schriftelijk, ondertekend en met redenen omkleed bericht met een duidelijke conclusie, uiterlijk voor na te melden pro forma datum, aan de griffie van het hof te doen toekomen;
wijst de deskundige er op dat na aanvaarding van de benoeming de verplichting bestaat de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen naar aanleiding van zijn concept bericht, en dat uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
wijst partijen er op dat, indien zij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij moeten verstrekken;
bepaalt het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig op een bedrag van € 855,-, tenzij partijen of één van hen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft gemaakt in welk geval het hof op dat bezwaar zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat het voorschot voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal doen toekomen;
bepaalt dat, nadat het schriftelijk bericht van de deskundige ter griffie is ontvangen, partijen in de gelegenheid worden gesteld daar binnen een termijn van twee weken schriftelijk op te reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 31 maart 2015.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, M.C. Bijleveld - van der Slikke en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.