In deze zaak is de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van appellant aan de orde. De rechtbank had de WSNP beëindigd wegens niet-nakoming van verplichtingen, het ontstaan van een boedelachterstand en nieuwe schulden. Appellant stelde dat hij de bewindvoerder wel degelijk had geïnformeerd en dat de boedelachterstand mede voortkwam uit onduidelijkheden over de afdracht van een buitenlandse kinderbijdrage. Ook betwistte hij de hoogte van de schulden en gaf hij aan bereid te zijn de achterstanden in te lopen.
Het hof nam kennis van de standpunten van appellant, de bewindvoerder en de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder. Het hof oordeelde dat de geringe tekortkomingen in de informatieplicht niet ernstig genoeg waren voor beëindiging van de WSNP. De boedelachterstand en nieuwe schulden moeten echter wel worden ingelopen. Het hof achtte een verlenging van de WSNP met twee jaar opportuun, waarbij na afloop van de reguliere termijn alleen de minimale boedelbijdrage hoeft te worden betaald en het surplus kan worden aangewend voor het aflossen van achterstanden.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor voortzetting van de regeling. Het hof benadrukte dat indien appellant het extra inkomen na de reguliere termijn niet gebruikt voor aflossing, de bewindvoerder opnieuw tussentijdse beëindiging kan verzoeken.