Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1],wonende te [woonplaats],
[appellante 2],wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen sloten een koopovereenkomst voor onroerend goed waarbij een lagere koopsom werd gecompenseerd via een loonbetalingsregeling door een dochteronderneming van de verkoper. De koper vorderde nakoming van deze compensatieregeling van de verkoper, maar het hof oordeelde dat de compensatieregeling een aparte overeenkomst was tussen de koper en de dochteronderneming, niet tussen koper en verkoper.
De levering van de kavels verliep niet volgens de oorspronkelijke afspraken, waarbij kavel C uiteindelijk niet werd geleverd en de koopovereenkomst voor dat deel werd ontbonden. De compensatieregeling hield in dat de dochteronderneming gedurende een bepaalde periode maandelijkse betalingen zou doen aan de kopers, zonder dat daar arbeidsverplichtingen tegenover stonden.
De koper stelde dat de verkoper aansprakelijk was voor de resterende compensatiebetalingen, maar het hof stelde vast dat de verkoper geen partij was bij de compensatieregeling, ondanks de nauwe samenhang tussen de koopovereenkomst en de compensatieregeling. De vordering werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd onder wijziging van de gronden.
Uitkomst: De vordering tot nakoming van de compensatieovereenkomst wordt afgewezen omdat deze ten onrechte tegen de verkoper is ingesteld in plaats van tegen de zusteronderneming.