Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/248530/HAZA 12-554)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
‘de gehele huidige en toekomstige bedrijfsuitrusting, … waaronder … vervoermiddelen’van FCG respectievelijk
‘alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva’van FCG. Deze onderhandse akten zijn geregistreerd op 13 juni 2007 respectievelijk 21 juli 2008 (prod. 9 en 10 inl. dagv.). ABN Amro is de rechtsopvolger van Fortis.
deze geldlening zal worden verstrekt onder de voorwaarde dat ten behoeve van BMW Financial Services bv een hoogst gerangschikt pandrecht op het object wordt gevestigd;
‘Betreft saldo per 21.12.11’(prod. 7 inl. dagv.).
‘Na overleg met mijn raadsman, ziet het er naar uit dat dit beslag op datum van levering eraf is.’(zie prod. 4 mva princ/mvg inc). Naar het oordeel van het hof had van [geïntimeerde], als (middellijk) bestuurder van een financieel adviesbureau, in redelijkheid echter mogen worden verwacht dat hij na de beslaglegging op 11 mei 2012 ook contact zou hebben opgenomen met BMW (of de door haar ingeschakelde deurwaarder) om haar te informeren over de verkoop van de percelen en om BMW te waarschuwen voor de schade die [geïntimeerde] zou gaan leiden indien hij de percelen op de overeengekomen transportdatum, 22 juni 2012, niet vrij van beslag zou kunnen leveren. Daarbij is van belang dat de verkochte percelen volgens de door [geïntimeerde] overgelegde koopovereenkomst zijn verkocht voor € 383.000,00 kosten koper, terwijl deze percelen naar zijn zeggen niet hypothecair waren belast. Na betaling van de koopsom van € 383.000,00 was er dus voldoende financiële ruimte voor een alternatieve zekerheidsstelling ten gunste van BMW. Naar het oordeel van het hof bestonden er verschillende mogelijkheden om de levering van de percelen aan E & M toch tijdig en vrij van beslag te doen plaatsvinden, bijvoorbeeld storting van een deel van de koopsom in een depot bij de notaris of het stellen van een bankgarantie. Dat dit laatste onmogelijk was heeft [geïntimeerde] onvoldoende feitelijk onderbouwd. Aldus had kunnen worden voorkomen dat [geïntimeerde] een boete zou verbeuren en ter zake schade zou lijden. Gelet op dit een en ander had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om nader te onderbouwen waarom hij na de beslaglegging op 11 mei 2012 – en overigens ook na de ingebrekestelling door E & M bij brief van 25 juni 2012 – heeft stilgezeten en BMW niet heeft ingelicht over de verkoop van de percelen en haar niet heeft gewaarschuwd voor de schade die hij zou gaan leiden indien hij de percelen niet vrij van beslag zou kunnen leveren. Door na te laten BMW ter zake in te lichten en te waarschuwen, heeft [geïntimeerde] BMW niet de kans gegeven om het beslag voor de overeengekomen leveringsdatum op te heffen en daarmee te voorkomen dat [geïntimeerde] de door hem gestelde schade zou lijden.