ECLI:NL:GHSHE:2014:4680

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 november 2014
Publicatiedatum
11 november 2014
Zaaknummer
HD 200.153.438_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot staking tenuitvoerlegging na ontruiming woning in huurzaken

In deze civiele zaak vordert appellant, huurder, de staking van de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van de gehuurde woning. Eerdere vorderingen van verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming op grond van huurachterstand werden door de kantonrechter afgewezen vanwege verrekening met een vordering van huurder.

Appellant heeft de woning inmiddels ontruimd en stelt dat hij tijdelijk elders onderdak heeft gevonden maar nog steeds belang heeft bij terugkeer. Het hof oordeelt dat nu de woning is ontruimd, de staking van de tenuitvoerlegging niet meer aan de orde is en appellant geen belang meer heeft bij zijn vordering.

De vordering in het incident wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling. Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 11 november 2014.

Uitkomst: De vordering tot staking van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen omdat appellant de woning heeft ontruimd en geen belang meer heeft bij terugkeer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.153.438/01
arrest van 11 november 2014
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv Pro in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Meerssen,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 september 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter te Maastricht (rechtbank Limburg) onder nummer 2781712 CV EXPL 14-1543 gewezen vonnis van 16 juli 2014.

5.Het tussenarrest van 23 september 2014

Bij genoemd tussenarrest is de zaak naar de rol verwezen voor antwoordakte aan de zijde van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6.Het verdere verloop van de procedure

[appellant] heeft een antwoordakte genomen, waarna is bepaald dat wederom arrest wordt gewezen.

7.De verdere beoordeling

In het incident
7.1.
Bij antwoordakte heeft [appellant] bevestigd, zoals door [geïntimeerde] bij antwoordmemorie in het incident gesteld, dat ontruiming van de woning - zij het onder uitdrukkelijk protest van [appellant] - inmiddels heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat hij en zijn gezinsleden tijdelijk elders onderdak hebben kunnen vinden, dat hij dat verblijf evenwel zonder meer kan beëindigen en dat hij daarom nog steeds (spoedeisend) belang heeft bij terugkeer in de woning en dus ook bij toewijzing van zijn vordering in het incident.
7.2.
Nu vaststaat dat [appellant] de woning inmiddels heeft ontruimd en verlaten, is (staking van de) tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis niet (meer) aan de orde. [appellant] heeft daarom naar het oordeel van het hof thans geen belang bij zijn vordering in het incident.
Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat toewijzing van de vordering in het incident op zichzelf - afgezien van de uitkomst van de hoofdzaak - er niet toe zou kunnen leiden dat [appellant] kan terugkeren in de woning. Bij de onderhavige beoordeling moeten de in het bestreden vonnis vervatte beslissingen (waaronder de uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst) en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen immers tot uitgangspunt worden genomen.
7.3.
Gelet op het voorgaande moet de vordering in het incident worden afgewezen.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
In de hoofdzaak
7.4.
Op de rol is bepaald is dat de hoofdzaak doorloopt en dat de memorie van antwoord moet worden genomen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van de memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M.
Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.