Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2014:4704

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 november 2014
Publicatiedatum
14 november 2014
Zaaknummer
F 200.143.144_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging partneralimentatie bij onvoldoende draagkrachtgegevens man

Partijen zijn gehuwd op 17 juli 2012 en de rechtbank heeft op 4 december 2013 de echtscheiding uitgesproken, waarbij de man verplicht werd €250 per maand aan partneralimentatie te betalen vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 17 maart 2014.

De man is tegen deze alimentatieverplichting in hoger beroep gekomen en betwist zijn draagkracht, stellende dat hij sinds eind 2013 een Wwb-uitkering ontvangt. De vrouw voert verweer en stelt dat er onduidelijkheid bestaat over het inkomen en de lasten van de man. Zij verklaarde dat de man inmiddels werkzaam is in een schoenenwinkel.

Het hof oordeelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn actuele inkomen en lasten, waardoor zijn draagkracht niet kan worden vastgesteld. De man draagt hiervoor het risico en het hof sluit daarom aan bij de door de rechtbank vastgestelde alimentatie van €250 per maand.

De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen gewezen echtgenoten zijn. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de partneralimentatie van €250 per maand omdat de man zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 13 november 2014
Zaaknummer: F 200.143.144/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/183841 / FA RK 13-1921
in de zaak in hoger beroep van:
[de man],
wonende te[woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: voorheen mr. S.C.H. Poelman, thans zonder advocaat,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 december 2013.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat deze bijdrage op nihil wordt gesteld met ingang van 4 december 2013, subsidiair met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand of op een zodanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum, als het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 mei 2014, heeft de vrouw verzocht de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen, althans een beslissing te nemen zoals het hof juist acht.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014.
Bij die gelegenheid is de vrouw gehoord, bijgestaan door mr. Bergmans-Jeurissen.
2.3.1.
De man is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de man op 29 april 2014;
  • het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vrouw op 29 september 2014.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn op 17 juli 2012 te [huwelijksplaats] gehuwd.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 maart 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 250,-- per maand moet voldoen met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
De grief van de man heeft betrekking op zijn draagkracht.
Ingangsdatum
3.5.
De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 17 maart 2014, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.
Behoefte vrouw
3.6.
De behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 250,-- per maand is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vast staat.
Draagkracht man
3.7.
De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 250,-- per maand te voldoen, nu hij sinds eind 2013 een Wwb-uitkering ontvangt.
3.7.1.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij de vrouw bestaat op dit moment teveel onduidelijkheid omtrent de inkomsten en uitgaven van de man. De man heeft stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij aanvankelijk een Wwb-uitkering heeft ontvangen. Deze uitkering is vervolgens opgeschort omdat de man niet aan de uit de Wwb voortvloeiende inlichtingenplicht had voldaan. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat de man inmiddels in een schoenenwinkel werkzaam is.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
De man heeft zijn draagkrachtgrief – naar het oordeel van het hof – onvoldoende onderbouwd. De man heeft weliswaar enige inkomensgegevens overgelegd, maar deze gegevens hebben alleen betrekking op de periode voorafgaand aan de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage. Uit deze stukken volgt dat aan de man een Wwb-uitkering is toegekend en dat deze uitkering vervolgens is opgeschort omdat de man niet aan de op hem rustende inlichtingenplicht heeft voldaan. Voorts volgt uit deze stukken dat aan de man op 21 maart 2013 een voorschot – in de vorm van een renteloze geldlening – op de WWb-uitkering is toegekend. Het is het hof onduidelijk of aan de man opnieuw een Wwb-uitkering is toegekend, temeer nu de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat de man thans werkzaam is in een schoenenwinkel. Voorts heeft de man het hof geen inzicht verschaft in zijn lasten.
3.8.2.
De man stelt het hof, gelet op vorenstaande, niet in staat zijn inkomen en lasten, en daarmee zijn draagkracht, te beoordelen, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen. Dit brengt met zich dat het hof zal aansluiten bij de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 250,-- per maand.
3.9.
De beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.
Proceskosten
3.10.
De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 december 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, C.A.R.M. van Leuven en M.K. de Menthon Bake en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.