De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar dochter [dochter 1] in een pleeggezin verlengde. De dochter staat sinds juni 2012 onder toezicht en verblijft sindsdien in een 24-uurs pleeggezin. De moeder verzocht om beëindiging van de uithuisplaatsing en pleitte voor terugkeer van het kind naar haar, terwijl de stichting Bureau Jeugdzorg de verlenging van de machtiging handhaafde.
De moeder stelde dat de uithuisplaatsing oorspronkelijk tijdelijk was en dat de stichting onvoldoende had onderzocht of terugkeer mogelijk was. Zij benadrukte haar verbeterde persoonlijke situatie en het belang van thuisplaatsing, ondanks de langdurige hechting van het kind aan de pleegouders. De stichting stelde dat zij zorgvuldig had onderzocht en besloten dat het in het belang van het kind was om in het pleeggezin te blijven, mede vanwege de hechting en de onopgeloste conflicten tussen de ouders.
Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. Het bevestigde de eerdere beschikking en stelde dat de stichting een open houding moet blijven houden ten aanzien van het perspectief van het kind, waaronder mogelijke thuisplaatsing in de toekomst. Tevens werd benadrukt dat de stichting de ouders moet blijven begeleiden en stimuleren in hun samenwerking ten behoeve van het kind.