In deze civiele zaak gaat het om een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank die hem verplichtte €150 per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn dochter. De man betwist zijn draagkracht en voert aan dat zijn inkomen en schulden dit bedrag niet toelaten.
Het hof neemt als uitgangspunt de draagkrachtberekening van de man, die een netto besteedbaar inkomen van €1.110 per maand heeft. Volgens de geldende tabellen komt dit overeen met een draagkracht van €25 per maand. De man heeft een schuldaflossing van €66 per maand, maar het hof vindt dat deze betalingsverplichting niet leidt tot een onaanvaardbare situatie die een hogere bijdrage verhindert.
De behoefte van de dochter aan de alimentatie is niet in geschil. Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en stelt de bijdrage vast op €25 per maand met ingang van 17 januari 2014. De proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.