Partijen, voormalige partners, zijn in geschil over de hoogte van de kinderalimentatie voor hun minderjarige dochter die onder toezicht staat en deels uithuisgeplaatst is. De rechtbank had de bijdrage van de man voor de periode 30 maart 2013 tot 1 oktober 2013 op nihil gesteld vanwege de uithuisplaatsing. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep en betwistte dat de behoefte van de dochter tijdens uithuisplaatsing verminderd zou zijn.
Het hof overwoog dat de uithuisplaatsing niet op vrijwillige basis was, maar met een machtiging van de stichting, en dat de vrouw onvoldoende bewijs had geleverd van kosten die niet door kinderbijslag of kindgebonden budget werden gedekt. De rechtbank had daarom terecht de bijdrage van de man voor genoemde periode op nihil gesteld. Tevens stelde het hof de bijdrage vanaf 5 januari 2014 op nihil vast, zoals door de man verzocht.
De vrouw verscheen niet ter zitting en leverde geen bewijs van haar stellingen, terwijl zij door de rechtbank en het hof was gewezen op het ontbreken daarvan. Het hof veroordeelde de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 2.204,-. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wijzigde de kinderalimentatie uitsluitend voor de genoemde periodes.