Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.de vennootschap naar buitenlands recht Vinship Limited,gevestigd te [vestigingsplaats],
[geïntimeerde],wonende te [woonplaats 2], Spanje,
6.Het verloop van de procedure
- de memorie na enquête van [appellant] (met producties);
- de memorie van antwoord na enquête van Vinship en [geïntimeerde] (met producties).
7.De verdere beoordeling
stelt thans dat hij niet heeft gesteld dat 1 augustus 2009 als uiterste datum is overeengekomen, maar dat de termijn waarbinnen de (hiervoor genoemde) opschortende voorwaarde vervuld moest zijn al op een eerder moment – en in ieder geval voor of uiterlijk op 1 juli 2009 – was verstreken. 1 augustus 2009 is door hem genoemd als datum waarop niet meer van hem gevergd kon worden dat hij de samenwerking voortzette. Hij verwijst daartoe naar een aantal stukken waaruit dat zou blijken. [appellant] meent dat hij geslaagd is de door het hof verstrekte bewijsopdracht zoals door [appellant] in diens memorie na enquête uitgelegd.
Vinship en [geïntimeerde] hebben dit weersproken.
Deze lezing die [appellant] in zijn memorie na enquête geeft van de bewijsopdracht zoals die door het hof is verstrekt strookt niet met de overwegingen van het hof in het tussenarrest en kan niet worden aanvaard.
Noch uit de door [appellant] overgelegde stukken, noch uit de afgelegde getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat een dergelijke strikte deadline per 1 augustus 2009 was afgesproken. [appellant] zelf heeft in zijn getuigenverklaring weliswaar verklaard dat hij (voor het eerst op 13 juli 2009) tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat het op 1 augustus 2009 rond moest zijn, maar uit die verklaring blijkt niet dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd of dat partijen het daarover eens waren. [geïntimeerde] zelf heeft als getuige uitdrukkelijk ontkend dat [appellant] deze uitspraak tegen hem heeft gedaan. Ook uit de verklaring van de andere gehoorde getuigen – in het bijzonder die van [getuige], die bij het gesprek op 13 juli 2009 aanwezig was – kan niet worden afgeleid dat een dergelijke afspraak is gemaakt.
[appellant] is dan ook niet geslaagd in het opgedragen bewijs.
kon er dan ook geen beroep op doen dat de voorwaarde niet was vervuld om zich aan de overeenkomst te onttrekken, nu het, gezien de hiervoor en in het tussenarrest geschetste omstandigheden, in de rede lag dat de financiering door [vertegenwoordiger Tradebe] zou worden gerealiseerd. Uit de tweedeverklaring van [vertegenwoordiger Tradebe] blijkt immers dat er overeenstemming met [geïntimeerde] bestond dat Tradebe zou investeren in Emergo, maar dat dat niet is doorgegaan omdat [appellant] met een nieuwe onderneming was begonnen waarbij hij [geïntimeerde] had uitgesloten. Zoals het hof al in rechtsoverweging 4.20 van het tussenarrest heeft beslist had [vertegenwoordiger Tradebe] nog wel de maand augustus 2009 de tijd gekregen voor een juridisch en due diligence onderzoek, maar [appellant] heeft niet gesteld dat dat onderzoek zou kunnen leiden tot het afketsen van overeenstemming met [vertegenwoordiger Tradebe]. Ook uit de verklaringen van [vertegenwoordiger Tradebe] blijkt dat niet voldoende duidelijk.
Grief 6 faalt.
Bespreking van de grieven 7 tot en met 11 in principaal appel (aansprakelijkheid, causaal verband, schadebeperking)
(rechtsoverweging 4.19 en 4.20).
Grief 10 in principaal appelhoudt in dat [geïntimeerde] en Vinship niet aan hun schadebeperkingsplicht hebben voldaan. Volgens [appellant] hadden Vinship en [geïntimeerde] gewoon met Emergo van start kunnen gaan. [appellant] verwijst daartoe naar grief 9.
Het hof zal beide grieven gezamenlijk behandelen en overweegt daartoe als volgt.
Zoals uit de eigen stellingen van [appellant] blijkt (aanhef van de memorie van grieven) hadden [appellant] en [geïntimeerde] het plan samen een nieuwe onderneming op te zetten voor het managen, charteren en berederen van schepen, waarbij [appellant] vooral de operationele kant diende op te zetten en [geïntimeerde] via Vinship afspraken diende te maken met een investeerder. Dat plan is door toedoen van [appellant] gefrustreerd, nu [appellant] begin augustus 2009 de samenwerking heeft opgezegd. Daardoor is de voorziene onderneming – dat wil zeggen Emergo als onderneming tussen [geïntimeerde], Vinship en [appellant] – niet tot stand gekomen.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat [geïntimeerde] en Vinship op eigen kracht met de onderneming hadden kunnen doorgaan, voert [appellant] aan dat uit de tweedeverklaring van [vertegenwoordiger Tradebe] blijkt dat diens investeringsaanbod nog steeds bestond, alleen niet onder dezelfde voorwaarden.
Uit die verklaring volgt dat naar het oordeel van het hof evenwel niet. [vertegenwoordiger Tradebe] verklaart wat dit betreft:
"After the month of August the Emergo deal had fallen apart because Mr [geïntimeerde] announced that you, your team and the American investor had excluded him from the new venture that you undertook and went bust several months later. On our side we incorporated a company in Spain in 2010 that chartered five Turkish vessels and lasted one year as it was a financial disaster.”. Daaruit kan worden afgeleid dat Tradebe niet langer geïnteresseerd was door te gaan zoals afgesproken. Dat [vertegenwoordiger Tradebe] wel met alleen Vinship en [geïntimeerde] zou willen doorgaan kan uit deze tekst niet zonder meer worden afgeleid, terwijl een nadere onderbouwing op dit punt ontbreekt. Ook uit de door [appellant] in dit verband genoemde e-mail van 2 september 2009 (geciteerd in rechtsoverweging 4.2 onder (t) van het tussenarrest) kan niet worden afgeleid dat Tradebe bereid bleef op andere voorwaarden door te gaan; daarin wordt immers de bereidheid te participeren niet langer geldig genoemd.
Anders dan [appellant] stelt (§123 memorie van grieven) kan uit de verklaringen van [vertegenwoordiger Tradebe] ook niet worden afgeleid dat het optreden van [geïntimeerde] oorzaak was van het verdwijnen van de belangstelling van [vertegenwoordiger Tradebe]. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt uit de eerste verklaring dat [geïntimeerde] [vertegenwoordiger Tradebe] heeft geïnformeerd dat [appellant] als hoofd van het fleet management departement zich had teruggetrokken, waarop [vertegenwoordiger Tradebe] heeft meegedeeld dat daardoor de situatie zo veranderde dat Tradebe niet langer geïnteresseerd was. Uit de e-mail van 2 september 2009 blijkt hetzelfde. Dat het vertrek van andere medewerkers van het fleet managementdepartement daarbij een rol speelde blijkt daaruit niet, zodat de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] ten onrechte aan [vertegenwoordiger Tradebe] heeft verteld dat het personeel met [appellant] is meegegaan daarbij kennelijk niet van belang was. De eerste verklaring van [vertegenwoordiger Tradebe] komt wat dat betreft overeen met diens tweede verklaring. Weliswaar wordt in de tweede verklaring van [vertegenwoordiger Tradebe] dat personeel wel genoemd, maar ook in die verklaring is het vertrek van [appellant] zelf een belangrijke reden om niet tot investering (op dezelfde voet) voor te gaan.
De grieven 9 en 10 falen. Er is wel causaal verband tussen het verbreken van de overeenkomst door [appellant] en de schade als gevolg van het niet doorgaan van de onderneming, en het beroep op schadebeperking faalt evenzeer.
Vinship en [geïntimeerde] hebben de grief als volgt weersproken. Weliswaar heeft [geïntimeerde] begin 2010 voor Tradebe samengewerkt met de zoon van [vertegenwoordiger Tradebe] maar dat was slechts van korte duur; van een samenwerking tussen Vinship en [geïntimeerde] en Tradebe is geen sprake geweest.
Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van een met Emergo vergelijkbare samenwerking tussen Tradebe en Vinship/[geïntimeerde]. Bovendien is door [appellant] niet onderbouwd waarom Tradebe in dat geval de kosten die [geïntimeerde] en Vinship in verband met het oprichten van Emergo hadden gemaakt voor haar rekening zou nemen. Dat is ook niet zonder meer aannemelijk.
De grief faalt.
Schadeposten en de daarmee samenhangende grieven in principaal en incidenteel appel
(1) Winstderving
grief 2 in incidenteel appel.
[appellant] heeft deze grief weersproken.
Mede gelet hierop is ook een – evenmin met stukken onderbouwd – beroep op wat investeerders bereid zouden zijn te investeren onvoldoende als basis voor een toewijzing van gederfde winst, nu ook daar sprake is van (te) speculatieve uitgangspunten.
Wel kan uit het rapport worden afgeleid dat de onderneming winstpotentie had, zodat de mogelijkheid van schade als gevolg van gederfde winst dan wel dividend aannemelijk is. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure zoals door Vinship en [geïntimeerde] verzocht is een dergelijke aannemelijkheid noodzakelijk, maar ook voldoende. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van schade in verband met winstderving is dan ook voldoende onderbouwd.
Derhalve zal wat deze schadepost betreft de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen, opdat wordt vastgesteld welke schade in de vorm van winstderving is geleden door Vinship als gevolg van het niet doorgaan van de onderneming.
Grief II in incidenteel appel slaagt.
Volgens [appellant] waren de aandelen toen [geïntimeerde] die kocht van [aandeelhouder] feitelijk niets waard en heeft [geïntimeerde] geen verlies geleden omdat de aandelen thans nog steeds niets waard zijn.
De rechtbank heeft geoordeeld (rechtsoverweging 3.26 en 3.27) dat [geïntimeerde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat het aandelenpakket € 200.000 waard was en heeft de vordering wat dit betreft afgewezen.
Daartegen richt zich
grief III in incidenteel appel.
De grief is opgeworpen onder de voorwaarde dat de vordering van Vinship uit winstderving zou worden afgewezen. Uit het bovenstaande blijkt dat die vordering wordt toegewezen. Derhalve is de voorwaarde niet vervuld en behoeft de grief geen bespreking.
(3) Kosten van de notaris, Deloitte en verdere advisering
De rechtbank (rechtsoverweging 3.28 – 3.36) heeft het verweer van [appellant] afgewezen voor zover het de facturen van de notaris en Deloitte betreft. Wat betreft de facturen inzake advisering heeft de rechtbank geoordeeld dat die zijn gericht aan Emergo Tankers BV en dat niet vaststaat dat [geïntimeerde] deze kosten in privé zou moeten voldoen.
Met
grief 12 in principaal appelkeert [appellant] zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de schadeposten notaris en Deloitte. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] en Vinship de kosten van de notaris en Deloitte niet hebben voldaan. Volgens [appellant] had de rechtbank deze kosten moeten afwijzen.
Vinship en [geïntimeerde] keren zich in
grief IV in incidenteel appeltegen de afwijzing van de vordering inzake advieskosten van in totaal € 8.670,37. Wat betreft dit bedrag leggen Vinship en [geïntimeerde] thans facturen over waaruit volgens hen blijkt dat [geïntimeerde] privé wordt aangesproken.
Grief 12 in principaal appel faalt.
Wat betreft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de advieskosten overweegt het hof als volgt. Inzake de factuur van € 7.670,37 van [kantoor] heeft [geïntimeerde] thans, door het overleggen van e-mails en een bankafschrift (productie 14 bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel), voldoende bewezen dat deze facturen door hem moesten worden betaald en zijn betaald. Weliswaar voert [appellant] aan dat uit het bankafschrift niet blijkt dat het gaat om een bankrekening van [geïntimeerde], maar [appellant] maakt niet aannemelijk dat een derde dit bedrag voor [geïntimeerde] zou hebben betaald, en dat [geïntimeerde] dan over afschriften van de bankrekening van deze derde zou kunnen beschikken.
Dergelijke gegevens ontbreken evenwel ter zake van de factuur van € 1.000 van [schuldeiser], zodat onvoldoende is gebleken dat deze factuur door [geïntimeerde] is betaald.
Grief IV in incidenteel appel slaagt voor zover deze betrekking heeft op het bedrag van € 7.670,37.
(4)
Gederfde managementfees van [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship]
De rechtbank heeft (rechtsoverwegingen 3.37 – 3.45) bedragen van € 50.000 en € 45.000 aan managementvergoeding toegewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship], ieder bij brief van 27 april 2009, een fee is toegekend van € 1000 respectievelijk € 900 per dag, waarbij is afgesproken dat [geïntimeerde] respectievelijk [manager Chartering Vinship] vanaf 23 april 2009 fulltime beschikbaar zouden zijn voor het ontwikkeling van de nieuwe onderneming en wel voor ongeveer 200 dagen per jaar, min of meer gelijk verspreid over 12 maanden. De rechtbank heeft geconstateerd dat [geïntimeerde] respectievelijk [manager Chartering Vinship], gelet op de beëindiging van Emergo begin augustus 2009, maar recht zouden hebben op een managementvergoeding over de periode eind april 2009 tot en met begin augustus 2009, hetgeen betekent dat in beginsel moet worden uitgegaan van 50 dagen (1/4 van 200 dagen), derhalve van een managementvergoeding van € 50.000 voor [geïntimeerde] en 45.000 voor [manager Chartering Vinship]. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in reactie op het verweer van [appellant] Vinship en [geïntimeerde] bij conclusie van repliek niet meer hebben aangevoerd dan dat de argumenten van [appellant] geen hout snijden. De rechtbank heeft vervolgens inzake [geïntimeerde] € 50.000 en inzake [manager Chartering Vinship] € 45.000 toegekend.
Grief 13 in principaal appelvan [appellant] keert zich tegen deze rechtsoverwegingen. Volgens [appellant] hadden [geïntimeerde] en Vinship moeten onderbouwen hoeveel dagen [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship] hebben gewerkt, want alleen over die dagen is de vergoeding toewijsbaar. Daartoe had de rechtbank ook opdracht gegeven tijdens de comparitie.
Vinship en [geïntimeerde] hebben de grief weersproken, en ook ontkend dat de rechtbank opdracht had gegeven tot een nadere specificatie tijdens de comparitie.
Vinship en [geïntimeerde] keren zich met
grief V in incidenteel appeltegen het oordeel voor zover daarbij minder dan het gevorderde is toegewezen. Het is te doen gebruikelijk een opzegtermijn van drie maanden toe te passen, en in de praktijk zijn [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship] nog tot eind 2009 in de weer geweest met Emergo. [appellant] heeft dit laatste bestreden; Emergo bestond na augustus niet meer.
In hoger beroep betwist [appellant] niet langer dat de afspraak was gemaakt dat [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship] een fee zouden krijgen van € 1000 respectievelijk € 900 per dag voor werkzaamheden gedurende 200 dagen per jaar. Het hof acht het aannemelijk dat [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship] in de drie maanden voordat [appellant] de samenwerking opzegde veel tijd hebben besteed aan het opzetten van Emergo. De grief hierover van [appellant] faalt.
Anderzijds gaat het hier om een vergoeding voor daadwerkelijke managementwerkzaamheden, en niet om loon uit een arbeidsovereenkomst, zodat het hof het beroep op een opzegtermijn afwijst. Bovendien hebben [geïntimeerde] en Vinship onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] en [manager Chartering Vinship] na begin augustus nog zeer veel werkzaamheden hebben moeten verrichten voor Emergo.
De grieven van beide partijen (in principaal en incidenteel appel) falen.
(5) Kosten arbeidskrachten
Grief 14 in principaal appelhoudt in dat [geïntimeerde] en Vinship deze schadepost niet nader hebben onderbouwd. Als [appellant] al aansprakelijk zou zijn voor de door [geïntimeerde] en Vinship geleden schade kan dat alleen zien op de kosten tot aan het ontslag dat [geïntimeerde] aan deze arbeidskrachten heeft verleend. Schade doordat [geïntimeerde] de personeelsleden op onjuiste wijze heeft ontslagen kan niet aan [appellant] worden toegerekend. [geïntimeerde] en Vinship hebben de grief weersproken.
De grief faalt.
(6) Huur kantoor in Barcelona
Vinship en [geïntimeerde] betwisten in
grief VI in incidenteel appeldat Vinship het kantoor huurt; Vinship is altijd gevestigd geweest te [vestigingsplaats]. [appellant] dient deze stelling volgens hen te bewijzen. [appellant] heeft als productie 16 bij memorie van antwoord in incidenteel appel een afdruk van de website van Vinship uit 2008 overgelegd waarin is opgenomen dat operationele kantoren zijn gevestigd in Barcelona en Rotterdam.
De grief faalt.
(7) Onkosten [geïntimeerde] en Vinship
De rechtbank heeft het verweer van [appellant] verworpen en deze posten toegewezen (rechtsoverwegingen 3.52 – 3.54).
Tegen deze toewijzing heeft [appellant] geen specifieke grief gericht, zodat zij in stand blijft.
(8) Kosten huis in Barcelona en verhuiskosten [geïntimeerde]
Omdat [geïntimeerde] niet op het verweer was ingegaan heeft de rechtbank (rechtsoverwegingen 3.55 – 3.58) de vordering afgewezen.
Met
grief VII in incidenteel appelkeert keren Vinship en [geïntimeerde] zich tegen deze beslissing van de rechtbank. Als Emergo niet was opgericht zou [geïntimeerde] niet naar Barcelona zijn verhuisd.
De grief faalt.
Bespreking van de overige grieven in principaal en incidenteel appel
Uit het voorgaande blijkt dat de grieven in principaal appel falen, zodat de reconventionele vordering van [appellant] terecht is afgewezen, terwijl hij ook terecht is verwezen in de proceskosten in eerste aanleg.
Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief faalt.
In het incidenteel appel slaagt grief I (inzake winstderving) en slaagt grief IV (inzake advieskosten) ten dele. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in zoverre vernietigen en alsnog de desbetreffende vorderingen toewijzen.
Gelet op deze uitkomst zijn partijen in incidenteel appel over en weer ten dele in het ongelijk gesteld. Daarom zal het hof de kosten in incidenteel appel compenseren.