ECLI:NL:GHSHE:2014:5374

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 december 2014
Publicatiedatum
18 december 2014
Zaaknummer
Wr 225-17-2014
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • N.J.M. van Etten
  • J.W.J. Huige
  • J. Swinkels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 4 SvArt. 272 lid 1 SvArt. 124 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek voorzitter strafkamer wegens vermeende partijdigheid

In deze strafzaak, waarin de verdachte wordt vervolgd voor vernieling en erfvredebreuk op de vliegbasis Volkel, heeft de verdediging meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen leden van de strafkamer vanwege vermeende partijdigheid. Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de strafkamer werd mondeling ingediend tijdens de zitting van 1 december 2014, nadat de voorzitter de raadsman het woord had ontnomen wegens herhaalde beledigende uitlatingen.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat de vrijheid van verdediging en meningsuiting niet onbeperkt is en dat de voorzitter bevoegd is de orde te handhaven. De raadsman had ondanks waarschuwingen herhaaldelijk beschuldigingen geuit richting rechters, wat de voorzitter rechtvaardigde om het woord te ontnemen. Er was geen sprake van partijdigheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

De wrakingskamer wees het verzoek af en besloot dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen, gelet op de herhaling en de inhoudelijke grondslag van de verzoeken, die steeds dezelfde onvrede betreffen over het oordeel van rechterlijke instanties over de strafbaarheid van handelingen gericht tegen kernwapens op de vliegbasis.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de strafkamer wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

Wrakingskamer
Registratienummer: Wr 225-17-2014
Datum uitspraak: 1 december 2014
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak met parketnummer 20-004191-12 tegen:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
hierna te noemen: “de verzoeker”,
bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J.F. Stelling, advocaat te Alphen aan den Rijn,
strekkende tot wraking van mr. E.A.A.M. Pfeil, raadsheer in de afdeling strafrecht van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en voorzitter van de behandelend strafkamer.

1.Het procesverloop

1.1.
De wraking van de voorzitter van de behandelend strafkamer is mondeling verzocht bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van 1 december 2014.
1.2.
De voorzitter van de strafkamer heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek behandeld in openbare raadkamer van
1 december 2014. Bij die gelegenheid hebben de raadsman van verzoeker en verzoeker zelf het verzoek nader toegelicht. Ook de voorzitter van de strafkamer heeft zijn standpunt nader toegelicht.
1.4.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2.De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1. Ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een rechter
worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid
schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter
geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed
onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een
zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een
rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende
dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.3.
Het gaat in deze zaak om de vervolging van een verdachte die het hek rondom de
vliegbasis Volkel zou hebben doorgeknipt (vernieling) en wederrechtelijk het terrein van de
vliegbasis zou zijn binnengedrongen (erfvredebreuk).
2.4.
De verdediging heeft op de terechtzitting van 31 maart 2014 een preliminair verweer gevoerd aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft in dat verband gesteld dat de Staat misdrijven pleegt en/of voorbereidingshandelingen tot het plegen van misdrijven treft, kort gezegd alles door op de luchtmachtbasis Volkel tactische kernwapens in opslag en gebruiksgereed te hebben en te houden. Mede daarom is het openbaar ministerie niet ontvankelijk, aldus de verdediging.
2.5.
De strafkamer van het hof heeft dit preliminaire verweer van de verdediging ter terechtzitting van 31 maart 2014 verworpen. De verdediging acht die verwerping onjuist, de motivering daarvan eveneens, en is van mening dat de strafkamer enerzijds de argumenten van de verdediging opzettelijk verkeerd, verwrongen of onjuist heeft weergegeven en anderzijds de ‘Advisory Opinion’ van 1996 en andere relevante wetten, verdragen en jurisprudentie opzettelijk verkeerd, verwrongen of onjuist heeft weergegeven. Op grond daarvan heeft de verdediging op 31 maart 2014 de wraking van de leden van de strafkamer verzocht.
2.6.
De meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken heeft dit verzoek bij beslissing van 13 mei 2014 afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
2.7.
Bij het voeren van het pleidooi ter terechtzitting van 1 december 2014, waarbij de raadsman bovenstaand verweer aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wederom aan de orde heeft willen stellen, heeft de voorzitter de raadsman – na hem enkele malen te hebben gewaarschuwd, dat diens bewoordingen beledigend waren, en hem te hebben verzocht daarmee op te houden – uiteindelijk het woord ontnomen. De verzoeker heeft vervolgens medegedeeld de voorzitter van het hof te wraken, omdat deze zich vooringenomen heeft getoond door de raadsman het woord te ontnemen, louter omdat hij het niet eens is met de opvattingen van de raadsman. Dit is in strijd met het recht op verdediging en met de vrijheid van meningsuiting, aldus de verzoeker. Hierdoor wordt een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak verhinderd, aldus de verzoeker.
2.8.
De voorzitter van de behandelend strafkamer heeft mondeling toegelicht, waarom hij de raadsman het woord heeft ontnomen. Nadat hij had geconstateerd, dat de raadsman door bleef gaan met het uiten van beledigingen in de richting van het hof (en andere rechtelijke instanties), ondanks waarschuwingen daarmee te stoppen, en gelet op de omstandigheid dat hiervan tevens veelvuldig sprake was op de vorige terechtzitting, was de voorzitter van oordeel dat de raadsman met zijn optreden de orde op de zitting verstoorde. Hierdoor zag de voorzitter zich genoodzaakt de raadsman het woord te ontnemen.
2.9.
De wrakingskamer oordeelt hieromtrent als volgt.
De discussie welke de verdediging wenst te voeren is grotendeels gericht op de
gedragingen van de Staat en het gestelde verwerpelijke karakter daarvan. Deze discussie betreft echter de inhoud van de strafzaak en die inhoud staat niet ten toets door de wrakingskamer. Beoordeeld dient slechts te worden of er aanwijzingen voorhanden zijn, waaruit volgt dat de voorzitter van de strafkamer van dit hof, door de raadsman van verzoeker het woord te ontnemen, blijk heeft gegeven van partijdigheid of de schijn van partijdigheid heeft gewekt.
2.10.
De raadsman van de verzoeker heeft benadrukt dat zowel aan de verzoeker als aan diens raadsman het grondwettelijk recht toekomt om in het kader van de aanhangige strafzaak al datgene naar voren ter brengen, dat dienstig is voor de verdediging, ook als het gaat om kritiek op de Hoge Raad of andere rechterlijke instanties.
De wrakingskamer overweegt hieromtrent, dat het uitgangspunt van de verzoeker op zichzelf juist is: de verzoeker is, als verdachte in zijn strafzaak, evenals zijn raadsman, vrij om al datgene aan te voeren, dat dienstig kan zijn voor de verdediging, waarin besloten ligt de vrijheid om kritiek te uiten op uitspraken van de Hoge Raad of van andere rechterlijke instanties.
Deze vrijheid is echter niet onbeperkt. Van belang in dit verband is onder meer dat het ingevolge de artikelen 272, lid 1 en 124 van het Wetboek van Strafvordering aan de voorzitter van de strafkamer is om ervoor te zorgen, dat een strafzaak ordelijk verloopt, in welk verband de voorzitter er onder meer voor zal dienen te waken, dat de deelnemers aan het strafproces zich onthouden van uitlatingen, die voor een of meer andere deelnemers beledigend of onnodig grievend zijn of door deze(n) in redelijkheid als zodanig kunnen worden ervaren.
Bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek is gebleken, dat de raadsman zowel tijdens de strafzitting van 31 maart 2014 als tijdens de strafzitting op 1 december 2014 herhaaldelijk rechters in het algemeen en leden van de strafkamer van het hof in het bijzonder heeft beticht (kort gezegd) van misleiding en van medeplichtigheid aan misdadige voorbereiding van genocide, door zich te scharen achter het Kernwapenarrest van de Hoge Raad van 21 december 2001. De raadsman is zijn aantijgingen blijven herhalen ondanks meerdere waarschuwingen van de voorzitter om zich van dergelijke uitlatingen te onthouden.
In dit licht bezien was de voorzitter van de strafkamer gerechtigd de raadsman uiteindelijk het woord te ontnemen.
Een blijk van vooringenomenheid kan hieruit niet worden afgeleid en evenmin dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.11.
Gelet op het hiervoor overwogene wordt het verzoek tot wraking van de voorzitter van de strafkamer afgewezen.
2.12.
De wrakingskamer voegt hieraan nog het volgende toe. Het gaat in deze strafzaak om een herhaald wrakingsverzoek. Bovendien gaat het om een wrakingsverzoek in een lange reeks wrakingsverzoeken in vergelijkbare zaken, die in de kern steeds dezelfde grond hebben, namelijk onvrede van de raadsman met het feit, dat rechterlijke instanties niet de opvatting delen van de raadsman, dat strafbare feiten als vernieling en erfvredebreuk gerechtvaardigd zijn, indien zij worden gepleegd als protest tegen de aanwezigheid van kernwapens op de vliegbasis Volkel. Een en ander is voor de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 515, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. De wrakingskamer zal dan ook bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
BESLISSING:
Het hof:
wijsthet verzoek tot wraking
af;
bepaaltdat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
bepaaltdat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
Aldus gedaan in raadkamer door:
mr. N.J.M. van Etten, voorzitter,
mr. J.W.J. Huige en mr. J. Swinkels, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2014.