Belanghebbende vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures bij de Belastingdienst. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant wees dit verzoek toe en veroordeelde de Minister tot betaling van € 1.000 immateriële schadevergoeding en proceskosten.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de Staat geen hoger beroep instelde. Belanghebbende stelde een incidenteel hoger beroep in, dat zij tijdens de zitting introk. Het Hof hield op 9 juli 2014 een zitting waar de gemachtigden van belanghebbende en de Inspecteur verschenen; de Minister was afwezig.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur geen belang had bij het hoger beroep omdat hij niet veroordeeld was tot vergoeding van immateriële schade. Daarom verklaarde het Hof het hoger beroep van de Inspecteur niet-ontvankelijk. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot betaling van griffierecht en een vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in verband met het hoger beroep. De uitspraak werd op 19 december 2014 gedaan.