Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2014:645

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 februari 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
20-003467-12 OWV
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs eerdere hennepoogst

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in Maastricht vernietigd waarin aan de veroordeelde een betalingsverplichting van bijna 20.000 euro was opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betrof een hennepkwekerij waarbij de veroordeelde was veroordeeld voor medeplegen van het telen van hennep.

Het hof heeft het bewijs onderzocht dat zou moeten aantonen dat de kwekerij reeds een eerdere oogst had opgeleverd waaruit financieel voordeel was behaald. Dit bewijs bestond voornamelijk uit visuele waarnemingen van een opsporingsambtenaar, zoals kalkafzetting op het zeil, vervuilde filters, stof op armaturen en ventilatoren, wortelresten in potgrond en lege flessen met meststoffen.

Het hof oordeelde dat deze aanwijzingen onvoldoende en niet doorslaggevend waren om aan te nemen dat er daadwerkelijk een eerdere oogst had plaatsgevonden. De verklaring van de veroordeelde dat de kwekerij niet langer dan vier weken in gebruik was en dat apparatuur tweedehands was aangeschaft, werd geloofd. Daarom werd de ontnemingsvordering afgewezen en het vonnis van de politierechter vernietigd.

Uitkomst: De ontnemingsvordering tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van eerdere oogst.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-003467-12 OWV
Uitspraak : 5 februari 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 3 oktober 2012 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-129255-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [1970],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd om een bedrag van EUR 19.994,87 aan de Staat te betalen ter ontneming van het op datzelfde bedrag geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de beslissing van de eerste rechter zal bevestigen.
De verdediging heeft betoogd dat:
  • primair de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen;
  • subsidiair de aan een wederrechtelijk voordeel te koppelen betalingsverplichting gelijkelijk dient te worden verdeeld over veroordeelde en de medepleger van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
De beoordeling
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 5 februari 2014 (parketnummer 20-003468-12) ter zake van het medeplegen van het op 12 april 2012 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot straf.
Bovenstaand feit ziet erop dat veroordeelde zich op de in het arrest genoemde datum bezig hield met het telen van hennep. De voorliggende vordering is gestoeld op de aanname dat veroordeelde uit een eerder gerealiseerde oogst financieel voordeel heeft behaald.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van het navolgende:
  • dat in de kweekruimte sprake was van kalkafzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten;
  • dat het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild;
  • dat sprake was van stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen en op het rotorblad van een ventilator;
  • dat in de plantenpotten potgrond aanwezig was waarin zich wortelresten bevonden;
  • dat in de woning diverse lege kannen en flessen aangetroffen waarin groei- en meststoffen hebben gezeten.
Het hof is van oordeel dat die, op slechts visuele waarnemingen van een opsporings-ambtenaar gebaseerde, vaststellingen noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk maken dat er in de betreffende hennepkwekerij sprake is geweest van een eerdere oogst.
Het hof hecht geloof aan de verklaring van veroordeelde dat de in zijn woning aangetroffen kwekerij niet langer dan 4 weken in bedrijf is geweest en dat de in de kwekerij aanwezige apparatuur en overige attributen tweedehands waren aangeschaft. Er zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen althans onvoldoende doorslaggevende aanwijzingen van het tegendeel gebleken.
De vordering wordt afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van geschat wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Aldus gewezen door
mr. J.W. de Ruijter, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,
en op 5 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.