Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 229475/HA ZA 11-70)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- het door [geïntimeerde] als prod. 19 bij inleidende dagvaarding overgelegde overzicht (hierna: Productie 19)
- de door [geïntimeerde] als prod. 20 bij inleidende dagvaarding overgelegde berekening 1 (hierna: Berekening 1)
- het door [appellant] als prod.39 bij memorie van grieven overgelegde rapport van [X.] van 11 maart 2013 (hierna: rapport [X.]), met name de berekening onder “conclusies en herberekening eindafrekening [geïntimeerde] [appellant], op p. 5 (hierna: berekening [X.]).
€ 5.375,-- gesteld. Naar het hof uit de verwijzing van [appellant] naar de berekening [X.] (ook expliciet ten aanzien van deze post, ten tijde van het pleidooi) begrijpt, stelt [appellant] derhalve dat voor de post universiteit op basis van de opbrengsten niet het bedrag van
€ 1.798,42 maar het bedrag van € 5.375,-- verrekend dient te worden met het bedrag dat [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Nu [geïntimeerde] deze concrete stellingen van [appellant] niet voldoende concreet heeft betwist, neemt het hof dit als vaststaand aan.
€ 23.040,04
totalesamenwerking, waarvan de helft
“de rest van de tekorten en de investering in Modu-tool”bevroren worden tot 1 januari 2010 en dat partijen een en ander zien
“als een investering van [handelsnaam geïntimeerde 2] in Modustystem als geldschieter”kan, zoals [appellant] stelt (onder meer pleitnota nr. 27) ook een andere betekenis hebben. Ook overigens volgt uit de stellingen van [geïntimeerde] niet zonder meer, dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] het verschil tussen de uitgaven en inkomsten inzake Modutool die via de rekening van [geïntimeerde] verliepen, volledig voor zijn rekening zou nemen (in plaats van, zoals [appellant] stelt, voor 50%). Derhalve zal [geïntimeerde] worden toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] en [appellant] op 5 oktober 2009 hebben afgesproken, dat [appellant] het verschil tussen die gedurende het samenwerkingsverband gedane uitgaven en ontvangen inkomsten inzake Modutool (waarvan vaststaat dat dit € 56.055,26 bedraagt) volledig voor zijn rekening zou nemen.
kosten. Dit beroep komt hieronder aan de orde.
uren. Ter onderbouwing legt hij productie 38 over, waarin deze uren volgens hem gekapitaliseerd zijn. In nummer 54 van de memorie van grieven stelt [appellant] dat het gekapitaliseerde bedrag aan bestede tijd van [appellant] niet wordt gevorderd omdat dat niet tot de afspraken behoorde. In dat verband verwijst hij naar de systematiek van afrekening over 2006, waarbij partijen hebben afgerekend op basis van een gelijke (50%-50%) verdeling van uitgaven en inkomsten, zonder gemaakte uren mee te rekenen. Aldus leest het hof in de stellingen van [appellant] dat hij geen beroep doet op verrekening van door hem gemaakte
urenten behoeve van het samenwerkingsverband. Voor zover [appellant] nog aanvoert dat hij de gemaakte uren toch wil verrekenen, indien op basis van stellingen van [geïntimeerde] tot een andere wijze van afrekening wordt gekomen dan de in 2006 gehanteerde 50-50 systematiek, gaat dit betoog niet op. Uit het bovenstaande volgt allereerst dat ten aanzien van vordering A evenals bij de afrekening tussen partijen in 2006 de systematiek van afrekening op basis van 50%-50% van de uitgaven en inkomsten wordt gevolgd. Indien ten aanzien van de Modutool uiteindelijk na bewijslevering tot een andere procentuele wijze van afrekening wordt gekomen, is dit op zichzelf geen grondslag om gemaakte uren tussen partijen te gaan verrekenen, terwijl dit volgens de eigen stellingen van [appellant] niet tot de gemaakte afspraken behoorde. [appellant] heeft ook onvoldoende duidelijk gesteld op basis waarvan dan, in weerwil van de gemaakte afspraken (zie hierover ook memorie van grieven nr. 46 en 74), toch tot een verrekening van uren gekomen zou dienen te worden. Dit geldt te meer, nu ook in de einduitkomst van de berekening [X.] (die zoals al overwogen inhoudt dat per saldo [geïntimeerde] een bedrag van € 1.165,31 aan [appellant] zou dienen te betalen), op de juistheid waarvan [appellant] zich meermaals beroept (onder meer pleitnota in hoger beroep nrs 38 en 79), geen gemaakte uren zijn verdisconteerd. In dit kader stelt [appellant] bij pleidooi in hoger beroep (pleitnota nr. 15) bovendien, dat hij het cijfermateriaal inzake de ontvangsten en uitgaven van [geïntimeerde] niet betwist, behalve dat de uitgaven moeten worden aangevuld met de door [appellant] ten behoeve van het samenwerkingsverband gemaakte
kostenover 2007 tot en met 2009.
vóórof
nade samenwerking heeft gemaakt, zullen deze op basis van gelijke overwegingen als in 4.6.13. buiten beschouwing worden gelaten. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat een dergelijke verrekening past binnen de tussen partijen gemaakte afspraken en heeft ook onvoldoende duidelijk gesteld op welke andere grondslag hij deze kosten kan verrekenen. Deze kosten zijn ook niet verdisconteerd in bovengenoemd, door [appellant] meermaals genoemd, nog van [geïntimeerde] te vorderen bedrag van € 1.165,31 op basis van de berekening [X.].
gedurendehet samenwerkingsverband gemaakte kosten, overweegt het hof als volgt. Het gaat hier om volgens [appellant] door hem gemaakte kosten in de jaren 2007 tot en met 2009. In eerste aanleg is door [geïntimeerde] als productie 21 een verslag van [appellant] overgelegd ,waarin onder meer kosten over 2007 tot en met 2009 zijn opgesomd (bijlagen XI tot en met XIII). In hoger beroep verwijst [appellant] naar het rapport [X.], waarin ook overzichten van de kosten van [appellant] over genoemde jaren zijn opgenomen, in de berekening [X.] en -gespecificeerd- in bijlagen G, H en I bij het rapport. De in die bijlagen G, H en I genoemde bedragen zijn lager dan in genoemde bijlagen XI tot en met XII van productie 21. Gelet op de meergenoemde, uitdrukkelijke verwijzing naar het rapport [X.] in de memorie van grieven (onder meer nr. 110) en tijdens het pleidooi in hoger beroep (pleitnota nrs 15 en 38), begrijpt het hof de stellingen van [appellant] aldus, dat hij zich beroept op de kosten over 2007 tot en met 2009 zoals opgenomen in de berekening [X.] en in de bijlagen G, H en I. Het gaat om de volgende bedragen: over 2007 € 5.278,--, over 2008 € 6.011,51 en over 2009
gedurendede samenwerking kosten heeft gemaakt ten behoeve van het samenwerkingsverband en (ii) van
dieop de lijsten gespecificeerde kosten als zodanig.
vóórhet samenwerkingsverband of
nabeëindiging daarvan maar niet concreet en onderbouwd de kosten die [appellant] stelt
gedurendede samenwerking te hebben gemaakt.
€ 10.279,06.
“de laatste termijn van € 11250,-- Skylift gaat naar [handelsnaam geïntimeerde 2].”De stellingen van [appellant] in hoger beroep over wat partijen hiermee hebben bedoeld zijn niet consistent. Zo wordt in het rapport [X.], laatste pagina, Toelichting op de berekening, nr. 16 geconcludeerd dat in het bewuste mailbericht is vermeld, dat dit bedrag door [geïntimeerde] wordt ontvangen maar dat dit eigenlijk een ontvangst is die toebehoort aan het samenwerkingsverband. Tijdens het pleidooi (pleitnota nr. 78) heeft [appellant] gesteld, dat in genoemd mailbericht sprake is van een “truc” van [geïntimeerde] inzake Programmeertool. Dat [geïntimeerde] die domeinnaam krijgt, betekent volgens [appellant] niet dat hij de lusten van het samenwerkingsverband toebedeeld krijgt. Naar het oordeel van het hof kan uit de gehele context en bewoordingen in het emailbericht niet anders worden afgeleid, dan dat genoemd bedrag toekomt aan [geïntimeerde], die immers verder gaat met [handelsnaam geïntimeerde 2]. Zeker in het licht van genoemde inconsistente stellingen van [appellant], valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien op grond waarvan de helft van dit bedrag verrekend dient te worden met het bedrag dat [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd is.
€ 12.760,98.