In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Breda van 28 september 2011 vernietigd. De zaak betreft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde.
Het hof heeft het bewijs onderzocht, waaronder e-mailcorrespondentie tussen medeveroordeelden en verklaringen van betrokkenen, waaruit blijkt dat de veroordeelde een bedrag van €1.250,- heeft ontvangen als beloning voor zijn werkzaamheden. De verdediging voerde aan dat de veroordeelde geen geld heeft ontvangen, maar dit werd door het hof verworpen vanwege tegenstrijdige verklaringen en bewijsstukken.
Verder heeft het hof geen aftrekposten geaccepteerd voor kosten die de veroordeelde zou hebben gemaakt, omdat deze niet aannemelijk in directe relatie stonden tot de delicten. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.250,- en legt de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.