Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- voornoemde dagvaarding van 15 februari 2012;
- een door de griffier van dit hof opgemaakte akte depot, waarin is vermeld dat [appellant] 2 kleurenfoto’s heeft gedeponeerd;
- een memorie van grieven, waarbij een productie is overgelegd;
- een memorie van antwoord.
2.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 224592 / HA ZA 11-91)
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Als je met je rug naar de woning staat, staat achterin links van de tuin als erfafscheiding een hoge beukenhaag …” in het proces-verbaal dient te luiden als volgt:
Als je met je rug naar de woning staat, staat achterin in de tuin als erfafscheiding een hoge, niet doorgaanbare, beukenhaag …”. De raadsman schrijft in die brief verder dat hij zijn cliënt niet heeft horen verklaren tijdens de descente dat het gaaswerk achterin de tuin niet zou dienen om mensen tegen te houden. [appellant] stelt dat de rechtbank een en ander niet heeft gecorrigeerd en dat de rechtbank in het bestreden vonnis van een onjuiste situatie en van een onjuiste verklaring is uitgegaan.
“(…) En het is koper eveneens bekend dat de beukenhaag in de achtertuin niet op eigen grond staat.”.Deze mededeling houdt in dat [derde eigenaar A van het pand] en [derde eigenaar B van het pand] ten tijde van de levering van [pand 1] wisten dat de grond waarop de beukenhaag stond (dus de onderhavige strook grond) niet tot het object behoorde wat aan hen werd geleverd. Voor zover zij dan ook de strook grond met beukenhaag in bezit hebben genomen, is dit bezit niet te goeder trouw geweest, zodat de eventueel lopende 10-jarige termijn van art. 3:99 lid 1 BW Pro niet is voortgezet vanaf 11 juli 2003. Blijkens r.o. 4.1 sub a was het ook aan [appellant] bekend dat de beukenhaag niet op het object stond dat hem werd geleverd. Ook hij is dus niet bezitter te goeder trouw geworden en de eventueel lopende verjaring van art. 3:99 jo Pro. 306 BW is gestuit door de brief van de gemeente van 4 juni 2009.