Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1],
2.[appellante 2],
1. Het geding in eerste aanleg
2. Het geding in hoger beroep
,niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellanten hebben bij de rechtbank verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €18.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat zij aan de verplichtingen van de regeling zouden voldoen en zij onvoldoende inspanningen hadden verricht om nieuwe schulden te voorkomen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat het ontstaan van nieuwe schulden mede te wijten was aan een loonbeslag en dat zij onvoldoende waren voorgelicht door de kredietbank. Ook stelden zij dat door hun huwelijk de schulden mede op naam van de vrouw kwamen en dat zij nu actief op zoek is naar werk.
Het hof oordeelde dat appellanten het minnelijk traject niet hadden doorlopen en onvoldoende bewijs hadden geleverd dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden. Ook ontbrak onderbouwing van een groot aantal schulden. Daarom werd het verzoek afgewezen. Het hof benadrukte dat toelating tot de regeling alleen mogelijk is indien eerst een minnelijk traject is doorlopen en de schuldenaar te goeder trouw is.
Appellanten kunnen opnieuw verzoeken indien zij aantonen dat zij een minnelijk traject hebben doorlopen, hun schuldenlast voldoende onderbouwen en een stabiele financiële situatie aantonen zonder nieuwe schulden. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.