Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 242271, rolnummer HA ZA 11-1474)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure vordert appellant schadevergoeding van zijn advocaat wegens het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarin appellant werd veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan een gedupeerde belegger. Het hof bevestigt de feiten vastgesteld door de rechtbank, waaronder dat appellant als bestuurder betrokken was bij een onderneming die participatiegelden aannam zonder de beloofde bankgaranties te verstrekken.
Appellant stelde dat het hoger beroep tot vernietiging van het vonnis zou hebben geleid, omdat hij onder dwang een garantverklaring had ondertekend en zijn echtgenote geen toestemming had gegeven. Het hof oordeelde dat het hof in hoger beroep, indien het hoger beroep was ingesteld, de vordering van de gedupeerde belegger op grond van onrechtmatig handelen van appellant alsnog zou hebben toegewezen.
De rechtbank had daarom de vordering tegen de advocaat afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen de beroepsfout en de schade. Het hof deelt dit oordeel en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens beroepsfout advocaat wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.