Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/247369/HA ZA 12-221)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- de geldvordering van de man ad € 4.927,65 (grief 1);
- de geldvordering van de vrouw ad € 6.966,48 (grief 2);
- advocaatkosten (grief 3).
kosten van de man en de vrouw samen nog via de rekening van de vrouw [zijn] afgeschreven”; van die kosten geeft de vrouw een opsomming. De vrouw heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd terwijl de man voldoende gemotiveerd heeft betwist dat deze kosten voor gemeenschappelijke rekening moeten komen (onder andere doordat hij er op wijst dat ook zijn salaris tot eind april 2006 op de rekening is gestort en dat het gaat om lasten die door de vrouw moeten worden voldaan).
De conclusie van het voorgaande is dat de eerste grief van de vrouw faalt.
2.16 De vordering in reconventie sub 3 van de vrouw is nieuw. Zij stelt dat van de extra hypotheek ad € 70.000,= een deel ad € 34.680,= is besteed aan het chalet en een deel van € 20.000,= is overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer], zodat – naar de rechtbank begrijpt – op de rekening van de man een bedrag van € 13.932,96 moet zijn overgebleven. Het verschil tussen laatstgenoemd bedrag en hetgeen de vrouw heeft ontvangen bedraagt volgens haar € 1.713,41, welk bedrag vermeerderd moet worden met hetgeen de vrouw voor beide partijen aan de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat heeft betaald ad € 1.698,87.