ECLI:NL:GHSHE:2015:1343

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 april 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
HD200.131.202_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:184 lid 1 sub 6 BWArt. 7:184 lid 2 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over verdeling woning en financiële verplichtingen na beëindiging samenwoning

Partijen hadden elf jaar een affectieve relatie en kochten samen in 2009 een woning, ieder voor de helft. De man had € 75.000 meer bijgedragen en dit was vastgelegd in een overeenkomst. Na beëindiging van de relatie in 2011 ontstond een geschil over de verdeling van de woning, het flexibel krediet en de woonlasten.

De rechtbank had bepaald dat de man recht had op € 75.000 uit de netto-opbrengst van de woning en dat de rest gelijk verdeeld moest worden. Ook bepaalde de rechtbank dat partijen ieder de helft van het flexibel krediet en de woonlasten moesten dragen, met enkele uitzonderingen. Beide partijen stelden grieven in hoger beroep in tegen delen van deze uitspraak.

Het hof oordeelde dat de inboedel gemeenschappelijk was en bevestigde de waardering van de rechtbank. De vorderingen over het flexibel krediet werden afgewezen omdat onvoldoende bewijs werd geleverd. De gebruiksvergoeding en woonlasten werden verrekend vanwege de mishandeling van de vrouw door de man, wat aannemelijk werd geacht. Het hof verwierp het beroep op vernietiging van de overeenkomst als schenking en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het meer of anders gevorderde af met compensatie van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.131.202/01
arrest van 14 april 2015
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als “de man”,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als “de vrouw”,
advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 september 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland West-Brabant onder zaaknummer C/02/248625/HA ZA 12-303 gewezen vonnis van 17 april 2013.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 17 september 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2013;
  • de memorie van grieven met twee producties;
  • de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven, houdende een vermeerdering van eis in incidenteel hoger beroep met een productie;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6.De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7.De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
7.1
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:
a) Partijen hebben gedurende elf jaar een affectieve relatie gehad die is verbroken op 28 juli 2011.
b) Partijen hebben in 2009 een appartementsrecht aan de [adres] te [woonplaats] (hierna omwille van de eenvoud “de woning” genoemd) in eigendom verworven, ieder voor de helft.
c) Ter financiering van de woning zijn partijen een hypothecaire geldlening aangegaan waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De hypotheeklasten bedragen € 780,- per maand (de hypotheekrenteaftrek bedraagt € 292,- per maand) en de bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren € 196,- per maand.
d) In verband met de aankoop van de woning hebben partijen op 19 januari 2009 een overeenkomst gesloten met de volgende inhoud:

dat zij bij akte op 19 januari 2009 verleden voor Mr drs [notaris], notaris te [woonplaats], gezamenlijk ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom hebben verkregen:
Het appartementsrecht (…) voor een koopsom van € 218.000,- kosten koper; aan de betaling van welke som de ondergetekende sub a (de man, toevoeging hof)
€ 75.000,- meer heeft bijgedragen/zal bijdragen dan de ondergetekende sub b(de vrouw: toevoeging hof)
(…)
1.
De ondergetekende sub a heeft het recht om, indien tot overdracht van voormeld registergoed mocht worden overgegaan of indien dit tussen ondergetekenden respectievelijk hun rechtverkrijgenden onder algemene titel mocht worden verdeeld, van de netto-opbrengst, respectievelijk van de resterende waarde, een bedrag van € 75.000,- vooruit te nemen, alvorens tot verdeling van de resterende opbrengst, respectievelijk van de resterende waarde, zal worden overgegaan:
2.
(..)
3.
Indien de netto-opbrengst, respectievelijk de overwaarde ontoereikend is om daaruit het bedrag van € 75.000,- te voldoen, zal de helft van het ontbrekende door de ondergetekende sub b uit eigen middelen aan de ondergetekende sub a worden voldaan;
(…)
e) De woning staat te koop.
f) Partijen hebben een flexibel krediet bij de ABN AMRO bank waarvoor een limiet geldt van € 25.000,-. De limiet is bereikt. Maandelijks dient een bedrag van € 375,- te worden betaald aan rente en aflossing.
7.2.
In de onderhavige procedure heeft de man (samengevat) in eerste aanleg gevorderd:
1. Verdeling van de gemeenschappelijke inboedel;
2. ( Naar het hof begrijpt) verklaring voor recht dat van de overwaarde/netto-opbrengst van de echtelijke woning een bedrag van € 75.000,- aan hem dient te worden toegescheiden en dat het resterende bedrag aan ieder van partijen voor de helft toekomt;
3. In het geval het bedrag van € 75.000,- niet uit voornoemde overwaarde/netto-opbrengst kan worden voldaan, veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van de helft van het verschil tussen € 75.000,- en het bedrag van voormelde overwaarde.
4. Veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 6.000,- aan hem; subsidiair aan de ABN AMRO bank (rekeningnummer [rekeningnummer]) op verbeurte van een dwangsom;
5. Veroordeling van de vrouw tot storting op de sub 4 vermelde bankrekening ter aanzuivering van het flexibel krediet van een bedrag gelijk aan de helft van het dan openstaande saldo op verbeurte van een dwangsom.
6. Veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.800,- ter zake van hypotheeklasten en servicekosten over de periode van augustus 2011 tot en met april 2012, te vermeerderen met een bedrag van € 350,- per maand ingaande per mei 2012 en totdat de echtelijke woning zal zijn verkocht en geleverd, welk bedrag steeds betaald dient te zijn binnen 5 dagen nadat de man heeft aangetoond dat hij de maandelijkse hypotheeklasten en servicekosten heeft betaald.
7. Verklaring voor recht dat de man, zo hij enig bedrag aan de vrouw verschuldigd mocht zijn, gerechtigd is dat bedrag te verrekenen met hetgeen de vrouw uit hoofde van dit vonnis en of uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 19 januari 2009 aan hem verschuldigd is;
8. Veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.
Aan zijn vordering heeft de man het volgende ten grondslag gelegd:
Met betrekking tot het door hem gevorderde bedrag van € 75.000,- dat hij heeft geïnvesteerd in de woning, heeft de man verwezen naar de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 19 januari 2009. Ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot het flexibel krediet heeft de man gesteld dat nu partijen deze overeenkomst gezamenlijk zijn aangegaan ieder de helft van de bij de bank opgebouwde schuld voor zijn rekening dient te nemen, terwijl de vrouw gehouden is een bedrag van € 6.000,- – dat de vrouw uit het flexibel krediet heeft opgenomen in verband met de aanschaf van een auto – ofwel aan hem ofwel aan de bank te voldoen. De man heeft op zijn beurt € 1.000,- van het flexibel krediet opgenomen voor de aanschaf van een motor. Voor zover hij nog een bedrag aan de vrouw verschuldigd is, beroept de man zich op verrekening.
Voorts stelt de man dat de vrouw de helft van de woonlasten voor haar rekening dient te nemen, nu partijen gezamenlijk, ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning.
7.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd – samengevat –:
1. Verklaring voor recht dat zij geen verplichting jegens de man meer heeft uit hoofde van het bepaalde onder 3 in de overeenkomst van 19 januari 2009.
2. Veroordeling van de man “om aan het flexibel krediet € 4.690,- te vergoeden” vooraleer de vrouw verplicht is enig bedrag van het flexibel krediet af te lossen;
3. Veroordeling van de man om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 7.500,- wegens overbedeling van de man ter zake van de verdeling van de roerende goederen;
4. Veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
Hieraan heeft de vrouw het volgende ten grondslag gelegd.
De vrouw is niet gehouden een bedrag van € 75.000,- aan de man te voldoen wanneer de opbrengst uit de verkoop van de woning niet voldoende is om aan de man € 75.000,- uit te keren, nu een geldige causa voor deze afspraak ontbreekt. Indien er wel een geldige causa is, dan is dat een schenking geweest die door de vrouw wordt vernietigd op grond van artikel 7:184 lid 2 sub b BW Pro, te weten een mishandeling door de man begaan op 28 juli 2011. De man heeft opzettelijk een misdrijf gepleegd jegens de vrouw. Ten aanzien van het flexibel krediet is de vrouw van mening dat de man eerst € 4.800,- op dit krediet moet aflossen voordat partijen het krediet ieder voor de helft gaan aflossen.
Het verweer van ieder der partijen tegen de vorderingen van de ander zal in het hierna volgende, bij de bespreking van de grieven, aan de orde komen.
7.4.
De rechtbank heeft bepaald dat partijen ieder in hun onderlinge verhouding gehouden zijn de helft van de schuld ter zake het flexibel krediet van € 25.000,- voor hun rekening te nemen met uitzondering van een bedrag van € 4.690,- dat de man eerst in zijn geheel voor zijn rekening dient te nemen. Voorts is de man veroordeeld, voor zover de vrouw na december 2011 (maar tot de dag dat de schuld ter zake het flexibel krediet volledig zal zijn voldaan) aan de bank rentetermijnen heeft voldaan, aan de vrouw de helft van die rentetermijnen te voldoen, zijnde € 74,83 per maand, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw steeds kan aantonen dat zij de gehele rentetermijn over die maand aan de bank heeft voldaan. Voorts heeft de rechtbank voor recht verklaard dat van de netto-opbrengst van de woning een bedrag van € 75.000,- dient te worden toegescheiden aan de man en het resterende bedrag aan ieder der partijen voor de helft toekomt. Ten slotte heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld om, indien het bedrag van € 75.000,- niet uit de netto-opbrengst kan worden voldaan, de helft van het verschil tussen € 75.000,- en de netto-opbrengst te voldoen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
7.5.
De man heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, voor zover daartegen grieven zijn gericht en in conventie tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van de man, voor zover deze niet zijn toegewezen, en in reconventie tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vrouw, voor zover deze niet zijn afgewezen.
7.6.
De vrouw heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd, waarvan één voorwaardelijk, en gevorderd:
- voor recht te verklaren dat de vrouw geen verplichting meer heeft jegens de man uit hoofde van het bepaalde onder 3 in de overeenkomst van 19 januari 2009;
- ( voorwaardelijk) de man te veroordelen aan de vrouw een gebruiksvergoeding met betrekking tot de woning te betalen ten bedrage van de helft van de vaste lasten van de woning, althans van zodanige vergoeding als het hof juist acht;
- de man te veroordelen om van het op 30 november 2012 bestaande negatieve saldo van het flexibel krediet de helft af te lossen;
- ( bij wijze van vermeerdering van eis) te verklaren voor recht dat alle tot de inboedel behorende goederen die zich in de woning bevonden ten tijde van de samenleving van partijen, met uitzondering van de goederen die de rechtbank aan de man heeft toe gescheiden, aan de vrouw toebehoren, althans te beslissen dat die goederen aan haar zonder verrekening worden toebedeeld met bevel aan de man die goederen aan de vrouw af te geven binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest en op verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-, althans binnen zodanige termijn na die betekening en op verbeurte van een zodanige dwangsom als het hof juist acht.
7.7.
De grieven van partijen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De inboedel (grief 1 man, grief 5 vrouw)
7.7.1.
In zijn eerste grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man een vergoeding van € 500,- aan de vrouw dient te betalen voor zaken waarvan de man heeft verzocht die aan hem toe te scheiden. Volgens de man is de rechtbank er kennelijk van uitgegaan dat de goederen toebehoorden aan de vrouw en dat die een waarde hadden van € 1.000,-. De rechtbank had de vrouw moeten belasten met het bewijs dat die goederen een waarde hadden van - zoals de vrouw heeft gesteld - € 7.500,-. Nu zij dat niet heeft gedaan hadden de goederen zonder nadere verrekening aan de man moeten zijn toegescheiden. De man verwijst ook naar de in eerste aanleg overgelegde producties waaruit blijkt dat de goederen in 2006 en 2008 zijn aangekocht, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat inboedelgoederen zeer snel in waarde dalen.
De vrouw heeft daartegenover gesteld dat de rechtbank heeft beslist dat de goederen aan partijen in gemeenschappelijke eigendom behoorden en dat het aan de man is te bewijzen dat de door de rechtbank aan die goederen toegekende waarde te hoog is.
7.7.2.
De vrouw betoogt in haar vijfde grief (tevens vermeerdering van eis) dat de rechtbank alleen over de door de man specifiek genoemde goederen een beslissing heeft genomen, maar niet over een groot aantal goederen die in de woning zijn achtergebleven nadat de man de vrouw uit de woning had verdreven. De vrouw wenst dat alle goederen (met uitzondering van de goederen die aan de man zijn toegescheiden) zonder nadere verrekening aan haar worden toe gescheiden, op straffe van een dwangsom.
Volgens de man dient de grief te falen aangezien de vrouw er vanuit gaat dat die goederen alle aan haar in eigendom toebehoren, hetgeen gelet op de overwegingen van de rechtbank onjuist is. Subsidiair stelt de man dat de vrouw de woning vrijwillig heeft verlaten met medeneming van de goederen die zij wenste mee te nemen. De in de woning achtergebleven goederen behoren thans aan de man toe; de vrouw kan geen afgifte meer vorderen. Hoogstens zou zij een schadevergoeding kunnen vorderen, maar dat heeft zij niet gedaan. Bovendien heeft de vrouw nagelaten te specificeren om welke goederen het gaat.
7.7.3.
Het hof overweegt als volgt:
De rechtbank is ervan uitgegaan dat de gehele inboedel gemeenschappelijk is, nu niet is komen vast te staan dat bepaalde goederen eigendom, hetzij van de man, hetzij van de vrouw, zijn en de vrouw er kennelijk ook vanuit is gedaan dat de inboedel gemeenschappelijk is, gelet op haar vordering. De rechtbank heeft vervolgens de door de man opgesomde zaken aan hem toegescheiden waarbij de man de helft van de waarde, door de rechtbank in redelijkheid bepaald op € 1.000,-, aan de vrouw diende te betalen. De rechtbank heeft de primaire vordering van de man (toescheiding van de goederen aan diegene die de goederen onder zich heeft, zonder verrekening van waarde) afgewezen, nu zij geen enkel inzicht had in wat de gehele inboedel omvat en wat de waarde ervan is.
Het hof neemt het oordeel van de rechtbank dat de inboedel gemeenschappelijk was over, nu door geen van beide partijen in appel iets is aangevoerd dat tot een ander oordeel dient te leiden, noch partijen van hun stellingen bewijs hebben aangeboden.
Ten aanzien van de waarde van de goederen die aan de man zijn toegescheiden overweegt het hof als volgt: de rechtbank heeft op basis van de door partijen ingenomen stellingen en overgelegde producties de waarde van de aan de man toegescheiden goederen in redelijkheid bepaald op € 1.000,-. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot dit oordeel is gekomen.
Ten aanzien van de overige goederen die zich nog in de woning bevinden overweegt het hof als volgt.
Zoals hiervoor reeds is overwogen onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat de gehele inboedel gemeenschappelijk was. . Het enkele feit dat de vrouw goederen heeft achtergelaten in de woning, maakt – anders dan de man stelt – niet dat deze thans eigendom zijn van de man. De vrouw vordert evenwel afgifte van alle in de woning achtergebleven goederen, voor zover het niet betreft de aan de man toegescheiden goederen, op straffe van een dwangsom. Nu de vrouw haar vordering niet heeft gespecificeerd, noch mededelingen met betrekking tot de waarde van deze goederen heeft gedaan, is deze vordering reeds om die reden niet toewijsbaar.
De conclusie is dat zowel grief 1 van de man als grief 5 van de vrouw faalt en dat de vermeerderde eis van de vrouw dient te worden afgewezen.
Het flexibel krediet (grief 2 man, grief 4 vrouw)
7.7.4.
In zijn tweede grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft afgewezen zijn vordering met betrekking tot het bedrag van € 6.000,- dat de vrouw uit het flexibel krediet heeft opgenomen ten behoeve van de aanschaf van de haar in eigendom toebehorende Peugeot. Anders dan de rechtbank oordeelde, lag het op de weg van de vrouw te bewijzen dat de stelling van de man onjuist is, nu de man niet beschikt over de rekeningafschriften van het flexibel krediet dan wel daarin inzage heeft. Volgens de man is de rechtbank er voorts ten onrechte van uitgegaan dat het bedrag van € 4.690,- niet is aangewend ter betaling van de vaste lasten van de woning. De man stelt dat hij gelet op de hoogte van zijn WAO-uitkering niet in staat is de hypotheek en servicekosten te voldoen.
De vrouw heeft gesteld dat zij de Peugeot heeft bekostigd door inruil van een andere auto. Zij heeft voorts gesteld dat de rekening met betrekking tot het flexibel krediet een internetrekening is waartoe de man steeds toegang had. De vrouw bestrijdt dat de man niet in staat is de hypotheeklasten en servicekosten ten aanzien van de woning te voldoen.
7.6.5.
In haar vierde grief betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de man niet verplicht is de helft van het flexibel krediet volgens de stand per 30 november 2011 af te lossen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank haar beslissing niet gemotiveerd ofschoon er sprake was van een gemeenschappelijke schuld terwijl aan de kredietverlening aan partijen gezamenlijk de grondslag, te weten het gezamenlijk consumeren, was komen te ontvallen.
7.6.6.
De rechtbank heeft overwogen dat het flexibel krediet in beginsel aan beide partijen ten goede is gekomen, ieder voor de helft zodat dit in hun onderlinge verhouding voor de helft voor rekening van ieder der partijen komt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de man zijn stelling dat de vrouw € 6.000 van het flexibel krediet heeft aangewend voor de aanschaf van een haar in eigendom toebehorende auto, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet nader heeft onderbouwd of toegelicht. Volgens de rechtbank is evenmin komen vast te staan dat de man een bedrag van € 4.690,- uit het flexibel krediet heeft opgenomen ter voldoening van gemeenschappelijke lasten. De man diende dit bedrag in de onderlinge verhouding te voldoen waarna de restschuld voor de helft voor rekening van ieder der partijen komt.
7.7.7.
Het hof overweegt als volgt:
Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het flexibel krediet in beginsel aan beide partijen ten goede is gekomen, zodat dit in hun onderlinge verhouding voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft, komt.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank, terecht en op goede gronden heeft overwogen dat het op de weg van de man lag aan te tonen dat de vrouw uit het flexibel krediet € 6.000,- heeft opgenomen ten behoeve van de aanschaf van de haar in eigendom toebehorende auto. Niet valt in te zien waarom de man, nu hij mederekening houder is, niet de beschikking zou kunnen krijgen over bankafschriften dan wel ander bewijs met betrekking tot het verloop van de rekening. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het op de weg van de man lag voldoende te onderbouwen dat hij een bedrag van € 4.690,- van het flexibel krediet - waarbij de man heeft erkend dat hij dit bedrag kort na het feitelijk uiteengaan van partijen heeft opgenomen - heeft opgenomen teneinde de hypotheeklasten en servicekosten met betrekking tot de woning te betalen. De enkele stelling dat de man vanwege zijn WAO-uitkering daartoe niet in staat is, is daartoe onvoldoende. Grief 2 van de man faalt mitsdien.
De grief van de vrouw strekt ertoe de man te veroordelen tot aflossing van 50% van het per 30 november 2012 openstaande saldo van het flexibel krediet. Een dergelijke vordering is echter niet toewijsbaar. Het is aan de bank om een vordering tegen partijen in te stellen ter aflossing van het flexibel krediet, nu partijen een overeenkomst met de bank hebben gesloten. De rechtbank heeft dan ook terecht bepaald dat in de onderlinge verhouding ieder der partijen gehouden is de helft van de schuld uit hoofde van het flexibel krediet voor zijn rekening te nemen, met uitzondering van een bedrag van € 4.690,- dat de man eerst geheel voor zijn rekening dient te nemen. Grief 4 van de vrouw faalt.
De woonlasten en de gebruiksvergoeding (grief 3 man, grief 3 (voorwaardelijk) vrouw) en de verrekening van de vorderingen over en weer
7.7.8.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding voor het genot dat hij van de woning heeft, dient te betalen welke vergoeding gelijk is aan de helft van de hypothecaire lasten en servicekosten. Nu de vrouw op haar beurt gehouden is bij te dragen in de hypotheeklasten en servicekosten, komt de vordering van de man, aldus de rechtbank, voor verrekening in aanmerking in die zin dat deze, nadat de man de hypothecaire lasten en servicekosten heeft voldaan, verrekend mag worden met de vordering van de vrouw tot betaling van een gebruiksvergoeding.
7.7.9.
De man is het blijkens zijn grief 3 niet eens met de wijze waarop de rechtbank de gebruiksvergoeding heeft vastgesteld. Volgens de man dient uitgegaan te worden van 2% van de overwaarde. Nu die overwaarde € 49.000,- bedraagt, kan de gebruiksvergoeding gesteld worden op € 81,66 per maand. Nu de hypotheeklasten en servicekosten € 684,- per maand bedragen, had de rechtbank het bedrag dat de vrouw per saldo aan de man verschuldigd is, moeten vaststellen op € 301,16, zijnde de helft van € 602,32.
7.7.10.
De vrouw is het – naar het hof begrijpt eens met de uitkomst van het oordeel van de rechtbank, doch stelt, voor zover het hof de rechtbank daarin niet volgt – dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in de vaste lasten van de woning omdat zij daarvan vanaf augustus 2011 niet het genot heeft gehad, Voorts acht de vrouw een gebruiksvergoeding ten bedrage van de helft van de vaste lasten redelijk.
7.7.11
In zijn vierde grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte het beroep op verrekening heeft afgewezen, nu er volgens de rechtbank geen sprake is van opeisbare vorderingen over en weer.
De vrouw heeft daartegenover gesteld dat, afgezien van de verrekening van de vordering van de man ter zake van de woonlasten en de servicekosten met de vordering van de vrouw ter zake van de gebruiksvergoeding die in de visie van de rechtbank en de vrouw tegen elkaar wegvallen, er niets te verrekenen valt.
7.7.12.
Het hof overweegt als volgt:
Het hof neemt, zij het op andere gronden, het oordeel van de rechtbank over, inhoudende dat de vordering van de man tot betaling door de vrouw van de helft van de woonlasten wegvalt tegen de vordering van de vrouw tot betaling door de man van een gebruiksvergoeding ter hoogte van de helft van de woonlasten aan de vrouw en overweegt daartoe het volgende:
Het hof stelt voorop dat ook de rechtsverhouding tussen samenlevers wordt beheerst door de redelijkheid en de billijkheid. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de man haar ernstig heeft mishandeld. Zij heeft daartoe afschriften van de door haar gedane aangiftes overgelegd (productie 1 conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, alsmede productie 11 conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie). De man heeft weliswaar betwist dat hij de vrouw heeft mishandeld, doch de vrouw heeft in hoger beroep een brief van de officier van justitie overgelegd waaruit blijkt dat de man bij onherroepelijk vonnis van 9 april 2013 wegens mishandeling van de vrouw onder andere is veroordeeld tot 18 weken gevangenisstraf waarvan 16 weken voorwaardelijk en 90 uren werkstraf (productie 9 memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in incidenteel appel). Dat heeft de man vervolgens niet betwist. Gelet op de door de vrouw gedane aangifte die tot de veroordeling van de man heeft geleid, ook bezien in samenhang met de eerdere aangiftes, acht het hof het aannemelijk dat de vrouw de woning heeft moeten verlaten. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat op grond van de redelijkheid en de billijkheid de vorderingen van de man en de vrouw tegen elkaar wegvallen in die zin dat de vorderingen over en weer verrekend dienen te worden. Dit brengt met zich dat de grieven 3 en 4 van de man falen en dat de voorwaardelijk ingestelde grief 3 van de vrouw geen bespreking meer behoeft.
De vordering van de man op grond van de overeenkomst van 19 januari 2009 (grieven 1 en 2 van de vrouw)
7.7.13.
Volgens de vrouw is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan haar stelling dat de overeenkomst van 19 januari 2009 niet rechtsgeldig is omdat een causa (een grondslag) ontbreekt (grief 1). Volgens de vrouw heeft zij voldaan aan haar stelplicht en had het op de weg van de man gelegen haar stelling gemotiveerd te betwisten, hetgeen hij heeft nagelaten.
Voorts heeft de vrouw gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat het standpunt van de vrouw dat sprake is van een schenking niet juist is (grief 2 a) en dat derhalve niet toegekomen wordt aan vernietiging van de schenking op grond van artikel 7:184 lid 1 sub Pro 6 BW wegens mishandeling door de man van de vrouw (grief 2 b).
Volgens de vrouw heeft het feit dat één van de twee partijen die samen een woning kopen méér betaalt aan de woning niet tot gevolg dat de andere partij aan de méér betalende het meerdere moet vergoeden. Een dergelijke verplichting kan niet worden aangenomen. De vrouw is deze verplichting derhalve onverplicht aangegaan en derhalve is volgens de vrouw sprake geweest van een schenking die vernietigd dient te worden op grond van artikel 7: 184 lid 1 sub 6 BW.
De man heeft onder meer gesteld dat geen sprake is van een schenking door de vrouw. Partijen hebben een overeenkomst gesloten en de bepalingen van die overeenkomst beheersen hun rechtsverhouding. Uit de bepalingen van de overeenkomst kan niet worden afgeleid dat sprake is van een schenking.
7.7.14
Het hof overweegt als volgt:
Voorop staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn, ieder voor de helft, van de woning. De man heeft met een bedrag van € 75.000,- aan eigen middelen de aankoop van de woning gefinancierd.
Partijen zijn niet in gemeenschap van goederen of op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Evenmin hebben zij een samenlevingscontract gesloten. Zij hebben bij de aankoop van de gezamenlijke woning echter wel een overeenkomst gesloten waarbij zij de vermogensrechtelijke gevolgen van de aanschaf van de woning hebben geregeld en met name een voorziening hebben willen treffen voor het door de man in de aankoop van de woning geïnvesteerde bedrag. De rechtsgrond van deze overeenkomst is het vastleggen van een vergoedingsrecht voor de man. Het staat partijen vrij een dergelijke overeenkomst te sluiten. Het hof verwerpt de stelling van de vrouw dat sprake is van een schenking. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet blijkt van een bedoeling tot bevoordeling van de man. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De grieven 1 en 2a van de vrouw falen. Nu partijen een rechtsgeldige overeenkomst hebben gesloten die niet als een schenking gekwalificeerd kan worden, komt het hof niet meer toe aan de bespreking van grief 2b.
Conclusie
7.7.15.
Het voorgaande leidt er toe dat zowel de grieven in het principaal appel als de grieven in het incidenteel appel falen zodat het vonnis van de rechtbank bekrachtigd zal worden en dat de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 17 april 2013.
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.Th.M. Raab, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 april 2015.
griffier rolraadsheer