Het hof behandelt het hoger beroep van ouders tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun dochter, die sinds 2011 onder toezicht staat en sinds 2013 in een pleeggezin verblijft. De ouders stellen dat er geen sprake meer is van huiselijk geweld en dat zij met hulp zelf voor hun dochter kunnen zorgen.
De stichting en de raad betogen dat de dochter hechtingsproblematiek en trauma heeft en dat de ouders door hun persoonlijkheidskenmerken en intellectueel niveau niet kunnen voldoen aan haar opvoedbehoeften. Het hof stelt vast dat de vader niet met gezag is belast en verklaart hem niet-ontvankelijk. Het hoger beroep richt zich alleen op de machtiging tot uithuisplaatsing, niet op de ondertoezichtstelling.
Op grond van het oude recht (BW art. 1:261) oordeelt het hof dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de dochter. Het verzoek van ouders om nader onderzoek naar thuisplaatsing wordt afgewezen omdat dit onnodige onrust zou veroorzaken. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.