De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar ontheft van het ouderlijk gezag over haar dochter, die sinds 2011 onder toezicht staat en sinds 2012 in een pleeggezin verblijft. De moeder stelt dat zij zich positief heeft ontwikkeld en dat de hulpverlening onvoldoende is gericht op haar pedagogische vaardigheden. Zij verzoekt om een nieuw raadsonderzoek.
Het hof stelt vast dat de dochter een belast verleden heeft met hechtingsproblematiek en zorgwekkend gedrag, waarvoor een voorspelbare en gestructureerde opvoedingsomgeving noodzakelijk is. Uit het onderzoek van 2012 en latere bevindingen blijkt dat de moeder niet in staat is om aan deze behoeften te voldoen vanwege haar eigen emotionele problematiek en beperkte vaardigheden.
Het hof oordeelt dat de moeder ongeschikt is om haar opvoedingsplicht te vervullen en dat de ontheffing van het gezag niet wordt tegengehouden door haar verzet. Het belang van de dochter bij het pleeggezin en het bieden van duidelijkheid over haar toekomst weegt zwaarder dan het belang van de moeder. De moeder blijft ouderrechten behouden en het contact met de dochter wordt door de stichting begeleid.