ECLI:NL:GHSHE:2015:1604

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 april 2015
Publicatiedatum
1 mei 2015
Zaaknummer
F 200.165.317_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging uithuisplaatsing minderjarige wegens gewijzigde thuissituatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 april 2015 uitspraak gedaan over het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van haar dochter. De uithuisplaatsing was aanvankelijk ingesteld vanwege zorgen over huiselijk geweld en een onveilige thuissituatie. De moeder betwistte de noodzaak van voortzetting en stelde dat zij in staat was haar dochter te verzorgen.

De stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant voerde aan dat de thuissituatie nog steeds onveilig was en dat de moeder onvoldoende meewerkte aan hulpverlening. Het hof overwoog dat sinds het begin van de uithuisplaatsing de situatie bij de moeder was veranderd: zij woont nu samen met haar partner, er zijn geen nieuwe signalen van huiselijk geweld, en er is sprake van bewindvoering voor financiële ondersteuning.

Hoewel de stichting stelde dat de moeder afspraken met hulpverleners slecht nakomt, kon dit niet voldoende worden onderbouwd. Het hof vond dat de moeder voldoende pedagogische en affectieve vaardigheden bezit en dat de aanwezigheid van de halfzus in huis een indicatie is dat een veilig opvoedingsklimaat mogelijk is.

Het hof vernietigde de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing per 1 juni 2015 en bepaalde dat de dochter terugkeert naar de moeder. Tot die tijd kan de stichting de noodzakelijke hulpverlening voorbereiden. De moeder wordt geacht volledig mee te werken aan deze hulpverlening en haar huis op orde te brengen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt per 1 juni 2015 beëindigd en de dochter wordt teruggeplaatst bij de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 30 april 2015
Zaaknummer : F 200.165.317/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/283857 JE RK 14-1259
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,
locatie Tilburg,
verweerster,
hierna te noemen: de stichting.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: Eindhoven,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 januari 2015 en naar de daaraan voorafgaande tussenbeschikkingen van die rechtbank van 17 oktober 2014 en 28 juli 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 februari 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de machtiging uithuisplaatsing met onmiddellijke ingang te beëindigen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 maart 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Keller;
- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger 1 van de stichting] en mevrouw
[vertegenwoordiger 2 van de stichting].
2.3.1.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Op grond van artikel 28 van Pro de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake een ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór 1 januari 2015 volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 23 juni 2014, is derhalve artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat gold tot 1 januari 2015, in de onderhavige zaak van toepassing.
3.2.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader van dochter 1] is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [dochter 1] (hierna te noemen: [dochter 1]) geboren.
De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [dochter 1] uit.
Uit de relatie van de moeder en de heer [de vader van dochter 2] is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [dochter 2] (hierna te noemen: [dochter 2]) geboren. [dochter 2] woont bij de moeder en de heer [de vader van dochter 2].
3.3.
[dochter 1] en [dochter 2] staan beiden onder toezicht van de stichting.
3.4.
[dochter 1] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 7 augustus 2014 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [dochter 1] met ingang van 7 januari 2015 tot uiterlijk 7 augustus 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.
3.6.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – het volgende aan. Een verdere verlenging van de uithuisplaatsing van [dochter 1] is niet noodzakelijk. De moeder is in staat om [dochter 1] te verzorgen en op te voeden. Over de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de moeder hebben nooit zorgen bestaan. [dochter 1] is in augustus 2014 uit huis geplaatst met name vanwege zorgen omtrent huiselijk geweld in de thuissituatie. De moeder ontkent dat daarvan sprake is geweest. Onderzoek door de raad heeft deze zorgen niet bevestigd. Een verdere uithuisplaatsing van [dochter 1] is niet gerechtvaardigd, ook omdat [dochter 2], de dochter van de moeder en haar huidige partner de heer [de vader van dochter 2], niet uit huis geplaatst is. De moeder is bereid om zich samen met de heer [de vader van dochter 2] meer open te stellen voor de hulpverlening vanuit Amarant. De moeder heeft de huur van haar woning inmiddels opgezegd en woont thans samen met de heer [de vader van dochter 2], waardoor de hulpverlening vanzelf meer zicht heeft op hun onderlinge verstandhouding en hun thuissituatie.
Enkel vanwege het feit dat de moeder een hennepkwekerij in haar toenmalige woning heeft laten plaatsen heeft de raad een verzoek ingediend bij de rechtbank tot ondertoezichtstelling van [dochter 2]. Ten aanzien van de ontwikkeling van [dochter 2] heeft de raad geen zorgpunten gesignaleerd. De moeder begrijpt dat zij een grote fout heeft gemaakt door een hennepkwekerij in haar woning te laten installeren, maar volgens de moeder kan dit enkele feit niet een langere uithuisplaatsing van [dochter 1] rechtvaardigen.
De moeder stelt voorts dat de uithuisplaatsing een negatief effect heeft op [dochter 1]. Het gaat niet goed met [dochter 1]. Zij is verdrietig, omdat haar zus wel bij de moeder woont en zij niet. De moeder vreest ook voor vervreemding en onthechting tussen de moeder en [dochter 1].
Ter zitting heeft de moeder verklaard in de afgelopen periode nauwelijks contact te hebben gehad met de stichting. Er heeft alleen op 24 maart 2015 een huisbezoek bij de moeder plaatsgevonden. De stichting zat verder lange tijd stil. De moeder heeft wel eenmaal in de twee weken contact met Amarant.
3.8.
De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat er ten opzichte van de situatie bij de moeder die aanleiding gaf tot de uithuisplaatsing van [dochter 1] geen vooruitgang is geboekt. De moeder heeft zich onvoldoende opengesteld voor de hulpverlening. Zo heeft zij onvoldoende meegewerkt aan Signs of Safety en is zij ook niet in staat gebleken om gesprekken met de stichting te voeren. Verder is de relatie met haar partner problematisch. De moeder heeft al veel problemen met het leven van alledag. Het is niet in het belang van [dochter 1] om haar thans terug thuis te plaatsen. Daarbij moet tevens worden bedacht dat een eerdere terugplaatsing van [dochter 1] bij de moeder mislukt is.
Op school heeft men in de afgelopen maanden een gedragsverandering bij [dochter 1] gezien. Ze is dwars en luistert slecht. [dochter 1] heeft last van de onduidelijkheid over haar opvoedsituatie. De moeder lijkt zich onvoldoende te realiseren dat zij als moeder degene is die haar duidelijkheid kan verschaffen door mee te werken aan de hulpverlening.
Het verbaast de stichting verder zeer dat de moeder haar jongste kind [dochter 2] heeft blootgesteld aan een groot risico door thuis een hennepkwekerij neer te zetten. [dochter 2] is dan ook onder toezicht gesteld.
Ter zitting heeft de stichting verklaard dat de gezinsvoogd langdurig ziek is. Mevrouw [contactpersoon] fungeert thans als vaste contactpersoon. Zij heeft van Amarant vernomen dat de moeder de afspraken met Amarant slecht nakomt en dat Amarant onvoldoende zicht krijgt op de thuissituatie van de moeder en haar partner.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Op grond van artikel 1:261 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verlengd indien de gronden daarvoor nog bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter 1] of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.9.2.
Uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat ten tijde van de indiening van het verzoek tot een spoeduithuisplaatsing van [dochter 1] in augustus 2014 de leefsituatie van de moeder zorgen baarde. In het bijzonder de signalen ten aanzien van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner waren zorgelijk. Verder ondervond de moeder veel spanningen ten gevolge van financiële problemen. De intensieve ambulante gezinsondersteuning van Amarant kon onvoldoende zicht krijgen op de opvoedsituatie van [dochter 1] en haar veiligheid werd onvoldoende gewaarborgd geacht.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [dochter 1] noodzakelijk was, nu de thuissituatie bij de moeder nog steeds instabiel en onveilig was. De moeder had weliswaar kenbaar gemaakt met haar partner te willen gaan samenwonen, maar die opvoedingsomgeving diende nog nader te worden onderzocht. De rechtbank verwachtte van de stichting dat die gedurende de resterende duur van de verlengde uithuisplaatsing zou onderzoeken of er mogelijkheden waren om [dochter 1] thuis te plaatsen bij de moeder en haar partner.
3.9.3.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het hof gebleken dat de thuis- en leefsituatie van de moeder inmiddels is gewijzigd. De moeder is met ingang van
1 maart 2015 ingetrokken bij haar partner in zijn eengezinswoning. Van nieuwe signalen van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner of van problemen rondom de relatie van de moeder is het hof niet gebleken. De moeder heeft verder eenmaal in de twee weken contact met Amarant. Daarnaast is er inmiddels ook sprake van bewindvoering, zodat zij ten aanzien van haar financiële situatie de nodige hulp en ondersteuning heeft.
De stichting stelt dat nog niet kan worden overgegaan tot terugplaatsing van [dochter 1], omdat de moeder de afspraken met Amarant slecht nakomt en Amarant onvoldoende zicht krijgt op de thuissituatie van de moeder en haar partner, hetgeen de stichting van Amarant zou hebben vernomen. Het is het hof echter onvoldoende duidelijk geworden wat de reden is dat Amarant nog steeds een onvoldoende helder beeld heeft van de thuissituatie van de moeder en haar partner. De niet onderbouwde en door de moeder betwiste stelling van de stichting dat de moeder de afspraken met Amarant onvoldoende nakomt is daartoe onvoldoende. Verslaglegging van Amarant is door de stichting niet overgelegd, terwijl dit wel gezien hetgeen naar voren is gebracht voor de hand had gelegen.
De thuissituatie van de moeder en haar nieuwe partner geeft het hof onvoldoende aanleiding om te oordelen dat [dochter 1] niet thuisgeplaatst kan worden. Hoewel wellicht niet alle zorgen van de stichting zijn weggenomen, zoals zou kunnen blijken uit het zich bij de stukken bevindende verslag van het huisbezoek bij de moeder op 24 maart 2015, is niet vast komen te staan dat de moeder niet in staat is om [dochter 1] een stabiele woonplek te bieden. Dat de moeder over voldoende pedagogische en affectieve vaardigheden beschikt, is door de stichting niet weersproken. Het feit dat [dochter 2], de halfzus van [dochter 1], bij de moeder en haar partner woont vormt temeer een indicatie dat de moeder in staat kan worden geacht om ook in de zorg- en opvoedingsbehoeften van [dochter 1] te voorzien en voor haar een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te scheppen.
Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voortzetting van de uithuisplaatsing van [dochter 1] nog steeds noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Mede bepalend voor dit oordeel is dat de ondertoezichtstelling voor [dochter 1] blijft gelden, zodat de stichting de vinger aan de pols kan blijven houden en zo nodig kan interveniëren in het gezin.
3.9.4.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter 1] onder de huidige omstandigheden niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter 1]. Dit betekent niet dat alle zorgen zijn weggenomen en hulpverlening in de thuissituatie zal, zeker in de beginfase, geboden zijn. Het hof zal de beschikking waarvan beroep wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter 1] vernietigen, met dien verstande dat overgegaan dient te worden tot een terugplaatsing van [dochter 1] met ingang van 1 juni 2015. Tot die tijd kan [dochter 1] worden voorbereid op haar terugkeer naar de moeder en krijgt de stichting de gelegenheid om de noodzakelijke hulpverlening in de thuissituatie te regelen. Van de moeder wordt verwacht dat zij haar volledige medewerking zal verlenen aan de hulpverlening voorafgaande aan en na de thuisplaatsing. In de tussenliggende periode dient de moeder, voor zover dat nog niet is gebeurd, haar huis verder op orde te brengen.
3.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt met ingang van 1 juni 2015 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 januari 2015,
en in zoverre opnieuw recht doende:
wijst met ingang van 1 juni 2015 alsnog af het inleidend verzoek van de stichting ter zake van de machtiging uithuisplaatsing van [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats];
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de machtiging uithuisplaatsing over de periode tot 1 juni 2015;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en
H.J.M. van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.