Partijen zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de hoogte van de kinderalimentatie voor drie minderjarige kinderen. De man verzocht om vernietiging van de beschikking en wijziging van de onderhoudsbijdrage naar nihil vanaf 1 maart 2010 of een andere door het hof te bepalen datum. De vrouw verzocht afwijzing van het beroepschrift.
Het hof beoordeelde de draagkracht van de man en de behoefte van de kinderen. De behoefte werd vastgesteld op circa € 230 tot € 235 per kind per maand in de jaren 2013-2015, verminderd met het kindgebonden budget. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en wordt geacht geen bijdrage te kunnen leveren. De man ontving sinds oktober 2013 een bijstandsuitkering en heeft een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling lopen.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie voor de periode juni tot oktober 2013 en zijn stellingen onvoldoende onderbouwde. Voor deze periode werd de beschikking bekrachtigd. Vanaf 1 oktober 2013 heeft de man echter aannemelijk gemaakt dat hij geen draagkracht meer heeft, mede door de toekenning van de bijstandsuitkering na meerdere bezwaarprocedures. Daarom vernietigt het hof de beschikking voor deze periode en stelt de onderhoudsbijdrage op nihil. De rest van de beschikking wordt bekrachtigd.