Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
- de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 gewezen tussen [geïntimeerde] als verzoeker en Aviation als verweerder (zaaknummer 2372701 en rolnummer 13-765);
- het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2014, gewezen tussen Aviation als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (zaaknummer 2858838 en rolnummer
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met twee bijlagen;
- de memorie van grieven met dertien bijlagen;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi van 9 april 2015, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- Bij de staart van het vliegtuig stond een rolsteiger. [geïntimeerde] is via de rolsteiger op het vliegtuig geklommen. Er was rondom het vliegtuig geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht. Het valgevaar is evenmin tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Dit is een overtreding van artikel 16 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- De werknemers hadden ten tijde van het ongeval niet de mogelijkheid om zich te zekeren met een veiligheidsharnas en een zogenaamde lifeline.
- [geïntimeerde] heeft geen voorlichting over de te nemen veiligheidsmaatregelen ontvangen.
- Ten tijde van het ongeval droeg [geïntimeerde] sneakers, een beschermingspak en een gelaatsmasker.
- Het toezicht op het veilig werken en het goed gebruik van de rolsteigers en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen bleek onvoldoende.
- Aviation heeft in juni 2012 een Risico Inventarisatie en –Evaluatie (RI&E) opgesteld. In het Plan van Aanpak zijn onvoldoende maatregelen opgenomen om het risico van vallen van hoogte te verkleinen.