In deze zaak huurt appellant sinds 2010 een woning van geïntimeerde, die sinds 2011 eigenaar en verhuurder is. Ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg bestond een huurachterstand van drie maanden, die later opliep tot vier maanden bij het uitbrengen van de appeldagvaarding. Tijdens de behandeling in hoger beroep was de huurachterstand echter volledig voldaan door meerdere betalingen.
De kantonrechter had appellant veroordeeld tot ontruiming van de woning wegens de huurachterstand, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en voerde vier grieven aan, waaronder de ontruiming, proceskostenveroordeling en uitvoerbaarverklaring.
Het hof oordeelde dat het spoedeisend belang van geïntimeerde voor ontruiming ontbrak, mede omdat de huurachterstand was weggewerkt en appellant had toegezegd voortaan tijdig te zullen betalen. Ook achtte het hof onvoldoende zeker dat de bodemrechter de ontbinding van de huurovereenkomst zou toewijzen. De ontruimingsvordering werd daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter vernietigd. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.