Woonservice Urbanus verhuurde sinds 2005 een woning aan appellant. Na een politie-inval in maart 2014 waarbij hennepplanten werden aangetroffen, besloot de burgemeester de woning voor zes maanden te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet. Woonservice Urbanus ontbond daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk.
Appellant en zijn bewindvoerder stelden hoger beroep in tegen de ontruimingsveroordeling en proceskosten, stellende dat de ontbinding onredelijk was en dat gewacht had moeten worden tot het sluitingsbesluit onherroepelijk was. Het hof oordeelde dat appellant niet ontvankelijk was omdat het hoger beroep door de bewindvoerder had moeten worden ingesteld.
Het hof stelde vast dat de ontruiming reeds had plaatsgevonden en de woning opnieuw was verhuurd, waardoor het belang bij het hoger beroep ontbrak. De buitengerechtelijke ontbinding was rechtsgeldig omdat deze gebaseerd was op de sluiting door de burgemeester, waarvoor geen tekortkoming van de huurder vereist is. Het hof verwierp de grieven en bekrachtigde het vonnis, veroordeelde de bewindvoerder in de proceskosten en verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.